BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 45
Pachtwet
1. Bij toewijzing van het verzoek verlengt de pachtkamer de pachtovereenkomst met zes jaren of met een zoveel kortere termijn als uit de bijzondere omstandigheden voortvloeit; in het laatste geval vermeldt zij in haar beschikking de reden van de verlenging met de kortere termijn en vindt het bepaalde in het vijfde lid van artikel 12 overeenkomstige toepassing.
2. Indien de pachtkamer de pachtovereenkomst op grond van het eerste, derde of vierde lid dan wel op grond van artikel 43 met een kortere termijn verlengt, heeft aan het einde van die termijn geen verlenging van rechtswege plaats, doch kan de pachter binnen de in de beschikking bepaalde tijd aan de pachtkamer verzoeken de pachtovereenkomst wederom te verlengen. De pachtkamer beslist op de wijze, als in artikel 38 is voorgeschreven.
3. Indien de pachtkamer tot de bevinding komt dat het verzoek voor toewijzing vatbaar is en de pachter in het tijdvak van zes jaren volgende op het einde van de lopende pachttermijn de leeftijd van vijfenzestig jaren zal bereiken, verlengt de pachtkamer op verzoek van de verpachter de pachtovereenkomst tot het einde van het pachtjaar waarin de pachter die leeftijd bereikt of tot het einde van een zodanig later pachtjaar als de verpachter voorstelt, doch met ten hoogste zes jaren.
4. Indien in het geval van artikel 38 a, eerste lid, de verpachter tegen verlenging van de pachtovereenkomst met minder dan zes jaren geen bezwaar heeft, verlengt de pachtkamer de overeenkomst tot het einde van een zodanig later pachtjaar als de verpachter voorstelt.
5. Indien de pachtkamer de pachtovereenkomst in de gevallen bedoeld in het derde en vierde lid heeft verlengd, bepaalt de pachtkamer op verzoek van de verpachter dat, behoudens in het geval van artikel 38 a, tweede lid, geen verdere verlenging van de pachtovereenkomst kan worden verzocht.
6. Indien de pachtkamer een pachtovereenkomst met niet meer dan één jaar verlengt, kan geen verlenging van de pachtovereenkomst worden verzocht.
2. Indien de pachtkamer de pachtovereenkomst op grond van het eerste, derde of vierde lid dan wel op grond van artikel 43 met een kortere termijn verlengt, heeft aan het einde van die termijn geen verlenging van rechtswege plaats, doch kan de pachter binnen de in de beschikking bepaalde tijd aan de pachtkamer verzoeken de pachtovereenkomst wederom te verlengen. De pachtkamer beslist op de wijze, als in artikel 38 is voorgeschreven.
3. Indien de pachtkamer tot de bevinding komt dat het verzoek voor toewijzing vatbaar is en de pachter in het tijdvak van zes jaren volgende op het einde van de lopende pachttermijn de leeftijd van vijfenzestig jaren zal bereiken, verlengt de pachtkamer op verzoek van de verpachter de pachtovereenkomst tot het einde van het pachtjaar waarin de pachter die leeftijd bereikt of tot het einde van een zodanig later pachtjaar als de verpachter voorstelt, doch met ten hoogste zes jaren.
4. Indien in het geval van artikel 38 a, eerste lid, de verpachter tegen verlenging van de pachtovereenkomst met minder dan zes jaren geen bezwaar heeft, verlengt de pachtkamer de overeenkomst tot het einde van een zodanig later pachtjaar als de verpachter voorstelt.
5. Indien de pachtkamer de pachtovereenkomst in de gevallen bedoeld in het derde en vierde lid heeft verlengd, bepaalt de pachtkamer op verzoek van de verpachter dat, behoudens in het geval van artikel 38 a, tweede lid, geen verdere verlenging van de pachtovereenkomst kan worden verzocht.
6. Indien de pachtkamer een pachtovereenkomst met niet meer dan één jaar verlengt, kan geen verlenging van de pachtovereenkomst worden verzocht.