BWBR0002279
Geldig vanaf 1958-04-08
Artikel 11
Inkomsten-vergoedingsbeschikking-militairen
1. Vergoeding wordt niet uitbetaald over de dagen, gedurende welke de militair:
a. wegens ongeoorloofde afwezigheid of desertie niet aanwezig is op de plaats of de plaatsen, waar hij zich ter vervulling van de op hem rustende dienstverplichtingen behoort te bevinden;
b. ingevolge een rechterlijke uitspraak een vrijheidsstraf ondergaat;
c. zich in gijzeling bevindt;
d. in het genot is van verlof, behoudens de in het tweede lid vermelde uitzonderingen;
e. van een hem verleend verlof, als in het tweede lid bedoeld, is achtergebleven, tenzij de reden van achterblijven geldig is verklaard door de daartoe bevoegde autoriteit.
2. De in het eerste lid, onder d, bedoelde uitzonderingen, waarin de vergoeding wel wordt uitbetaald, zijn:
a. de dagen, waarop de militair algemeen (vakantie-) verlof of bewegingsvrijheid geniet;
b. de dagen, waarop de militair verlof tot herstel van gezondheid geniet;
c. de dagen, waarop de militair in het genot is van buitengewoon verlof, verleend voor een tijdvak van ten hoogste 4 achtereenvolgende dagen, tenzij het betreft buitengewoon verlof buiten bezwaar van 's Rijks schatkist;
d. de eerste 4 dagen, waarop de militair in het genot is van buitengewoon verlof, verleend voor een tijdvak van 5 of meer dagen, tenzij het betreft buitengewoon verlof buiten bezwaar van 's Rijks schatkist.
3. Indien aannemelijk is, dat de vergoeding geheel of voor een aanzienlijk gedeelte wordt aangewend ter voorziening in het levensonderhoud van personen, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, der Dienstplichtwet, stelt de burgemeester in de gevallen, bedoeld onder ben cvan het eerste lid, aan de minister voor de vergoeding geheel of gedeeltelijk door te betalen. In afwachting van de beslissing van de minister is de burgemeester gemachtigd ten hoogste 2/3 gedeelte van het door hem voorgestelde vergoedingsbedrag aan bedoelde personen uit te betalen, doch voor niet langer dan gedurende 14 dagen nadat de aanspraak op vergoeding feitelijk is komen te vervallen.
a. wegens ongeoorloofde afwezigheid of desertie niet aanwezig is op de plaats of de plaatsen, waar hij zich ter vervulling van de op hem rustende dienstverplichtingen behoort te bevinden;
b. ingevolge een rechterlijke uitspraak een vrijheidsstraf ondergaat;
c. zich in gijzeling bevindt;
d. in het genot is van verlof, behoudens de in het tweede lid vermelde uitzonderingen;
e. van een hem verleend verlof, als in het tweede lid bedoeld, is achtergebleven, tenzij de reden van achterblijven geldig is verklaard door de daartoe bevoegde autoriteit.
2. De in het eerste lid, onder d, bedoelde uitzonderingen, waarin de vergoeding wel wordt uitbetaald, zijn:
a. de dagen, waarop de militair algemeen (vakantie-) verlof of bewegingsvrijheid geniet;
b. de dagen, waarop de militair verlof tot herstel van gezondheid geniet;
c. de dagen, waarop de militair in het genot is van buitengewoon verlof, verleend voor een tijdvak van ten hoogste 4 achtereenvolgende dagen, tenzij het betreft buitengewoon verlof buiten bezwaar van 's Rijks schatkist;
d. de eerste 4 dagen, waarop de militair in het genot is van buitengewoon verlof, verleend voor een tijdvak van 5 of meer dagen, tenzij het betreft buitengewoon verlof buiten bezwaar van 's Rijks schatkist.
3. Indien aannemelijk is, dat de vergoeding geheel of voor een aanzienlijk gedeelte wordt aangewend ter voorziening in het levensonderhoud van personen, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, der Dienstplichtwet, stelt de burgemeester in de gevallen, bedoeld onder ben cvan het eerste lid, aan de minister voor de vergoeding geheel of gedeeltelijk door te betalen. In afwachting van de beslissing van de minister is de burgemeester gemachtigd ten hoogste 2/3 gedeelte van het door hem voorgestelde vergoedingsbedrag aan bedoelde personen uit te betalen, doch voor niet langer dan gedurende 14 dagen nadat de aanspraak op vergoeding feitelijk is komen te vervallen.