BWBR0002393
Geldig vanaf 1997-05-01
Artikel 15
Vorderingswet
1. Degene te wiens behoeve de vordering is geschied, is gehouden de eigenaar, de beperkt gerechtigde, de pachter, de huurder, de huurkoper en de beslaglegger voor zover zij schade lijden, schadeloos te stellen. Het recht op schadeloosstelling van de pand- of hypotheekhouder en van de beslaglegger wordt echter uitgeoefend overeenkomstig de hun in artikel 229 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboeken de artikelen 455aen 507a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingtoegekende rechten.
2. De schadeloosstelling wordt, ingeval het eigendomsrecht op een zaak is gevorderd, vastgesteld met overeenkomstige toepassing, voor zover uit deze wet niet anders voortvloeit, van paragraaf 15.3.1 van de Omgevingsweten, ingeval het een roerende zaak betreft, tevens overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent te stellen aanvullende regelen. Zij wordt, ingeval een recht tot gebruik van een zaak is gevorderd, vastgesteld overeenkomstig bij zodanige maatregel daaromtrent te stellen regelen.
3. De Staat is voor de betaling van de schadeloosstelling mede aansprakelijk.
2. De schadeloosstelling wordt, ingeval het eigendomsrecht op een zaak is gevorderd, vastgesteld met overeenkomstige toepassing, voor zover uit deze wet niet anders voortvloeit, van paragraaf 15.3.1 van de Omgevingsweten, ingeval het een roerende zaak betreft, tevens overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent te stellen aanvullende regelen. Zij wordt, ingeval een recht tot gebruik van een zaak is gevorderd, vastgesteld overeenkomstig bij zodanige maatregel daaromtrent te stellen regelen.
3. De Staat is voor de betaling van de schadeloosstelling mede aansprakelijk.