BWBR0002393
Geldig vanaf 1997-05-01
Artikel 23
Vorderingswet
1. Zolang niet een krachtens artikel 3, eerste lid, vastgesteld besluit in werking is, kan bij koninklijk besluit aan Onze Minister van Defensie de bevoegdheid worden verleend in het belang van de uitvoering van de militaire taak, ten behoeve van de Staat of van andere met de behartiging van openbare belangen belaste lichamen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van een of meer bij Ons besluit aangewezen onroerende zaken te vorderen.
2. Zolang niet een krachtens artikel 3, eerste lid, vastgesteld besluit in werking is, kan bij koninklijk besluit aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid worden verleend in het belang van de bestrijding van rampen en zware ongevallen in buitengewone omstandigheden als bedoeld in paragraaf 12 van de Wet veiligheidsregio’s, van de beperking van de onmiddellijke gevolgen daarvan, ten behoeve van de Staat of van andere met de behartiging van openbare belangen belaste lichamen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van een of meer bij Ons besluit aangewezen onroerende zaken te vorderen.
3. Wij nemen Ons besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, de Raad van State gehoord.
4. De voordracht tot vaststelling van een besluit krachtens het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Defensie, tezamen met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, en de voordracht tot vaststelling van een besluit krachtens het tweede lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken, tezamen met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat pleegt, alvorens de voordracht mede te ondertekenen, overleg met Onze Ministers, tot wier zorg belangen, die door de vordering kunnen worden geraakt, behoren.
5. De voordracht wordt niet gedaan dan nadat gebleken is, dat de nodige beschikking over de onroerende zaak niet of niet tijdig bij minnelijke overeenkomst verkregen kan worden.
6. Een krachtens het eerste of tweede lid verleende bevoegdheid vervalt een maand na het in werking treden van Ons besluit, waarbij zij is verleend.
7. De vorderingsbeschikking vermeldt het koninklijk besluit, waarbij de bevoegdheid tot het doen der vordering is verleend.
8. De artikelen 4, 7, 8, 9, eerste en derde lid, 15-20en 22zijn van toepassing.
9. Met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 23-27blijft artikel 1, tweede lid, buiten toepassing.
2. Zolang niet een krachtens artikel 3, eerste lid, vastgesteld besluit in werking is, kan bij koninklijk besluit aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid worden verleend in het belang van de bestrijding van rampen en zware ongevallen in buitengewone omstandigheden als bedoeld in paragraaf 12 van de Wet veiligheidsregio’s, van de beperking van de onmiddellijke gevolgen daarvan, ten behoeve van de Staat of van andere met de behartiging van openbare belangen belaste lichamen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van een of meer bij Ons besluit aangewezen onroerende zaken te vorderen.
3. Wij nemen Ons besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, de Raad van State gehoord.
4. De voordracht tot vaststelling van een besluit krachtens het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Defensie, tezamen met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, en de voordracht tot vaststelling van een besluit krachtens het tweede lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken, tezamen met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat pleegt, alvorens de voordracht mede te ondertekenen, overleg met Onze Ministers, tot wier zorg belangen, die door de vordering kunnen worden geraakt, behoren.
5. De voordracht wordt niet gedaan dan nadat gebleken is, dat de nodige beschikking over de onroerende zaak niet of niet tijdig bij minnelijke overeenkomst verkregen kan worden.
6. Een krachtens het eerste of tweede lid verleende bevoegdheid vervalt een maand na het in werking treden van Ons besluit, waarbij zij is verleend.
7. De vorderingsbeschikking vermeldt het koninklijk besluit, waarbij de bevoegdheid tot het doen der vordering is verleend.
8. De artikelen 4, 7, 8, 9, eerste en derde lid, 15-20en 22zijn van toepassing.
9. Met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 23-27blijft artikel 1, tweede lid, buiten toepassing.