BWBR0002537
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 25
Uitkeringsregeling 1966
1. Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 8, eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswetof krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.
2. Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid begrepen:
a. het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste dienstbetrekking;
b. het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voor zover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering bestaat.
3. Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene:
a. binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard, en
b. in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.
4. Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken.
5. De duur van de uitkering bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering bedoeld in het eerste lid.
6. Onze Minister beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering bedoeld in het eerste lid, en op toekenning van een uitkering bedoeld in het derde lid, op schriftelijke aanvraag door de betrokkene. De stukken die Onze Minister nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen door of vanwege de betrokkene te worden overgelegd.
7. Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 7, negende lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht bij Onze Minister is ingekomen.
2. Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid begrepen:
a. het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste dienstbetrekking;
b. het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voor zover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering bestaat.
3. Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene:
a. binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard, en
b. in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.
4. Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken.
5. De duur van de uitkering bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering bedoeld in het eerste lid.
6. Onze Minister beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering bedoeld in het eerste lid, en op toekenning van een uitkering bedoeld in het derde lid, op schriftelijke aanvraag door de betrokkene. De stukken die Onze Minister nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen door of vanwege de betrokkene te worden overgelegd.
7. Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 7, negende lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht bij Onze Minister is ingekomen.