BWBR0002564
Geldig vanaf 01-01-1998
Artikel 91a
Mijnreglement continentaal plat
1. In dit artikel wordt onder 'machine' en 'veiligheidscomponent' verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit machines.
2. Het is verboden op een mijnbouwinstallatie of bij mijnbouwkundig werk machines of veiligheidscomponenten voorhanden te hebben of te gebruiken die niet in overeenstemming zijn met het bij en krachtens het Besluit machines bepaalde. Dit verbod geldt niet voor machines als bedoeld in artikel 3 van het Besluit machines.
3. Artikel 19, eerste lid is niet van toepassing op machines en veiligheidscomponenten. De artikelen 19, tweede lid, 83 tot en met 87 en 89 zijn niet van toepassing op machines en veiligheidscomponenten voor zover deze bepalingen eisen stellen met betrekking tot het ontwerp, de vervaardigingswijze of de eigenschappen van machines of veiligheidscomponenten of daarop aangebrachte vermeldingen als bedoeld in artikel 4 van het Besluit machines.
4. Het bij en krachtens artikel 12, eerste en derde lid, van het Besluit machines bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot machines en veiligheidscomponenten die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie of worden gebruikt bij mijnbouwkundig werk, met dien verstande dat het in artikel 12, eerste lid, van het Besluit machines gestelde niet geldt ten aanzien van de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
5. De Inspecteur-Generaal der Mijnen is bevoegd herstelling te eisen van machines of veiligheidscomponenten binnen een door hem vast te stellen termijn. Voorts kan hij, indien blijkt dat een machine of veiligheidscomponent niet in overeenstemming is met het bij en krachtens het Besluit machines bepaalde, die machine of dat veiligheidscomponent voorzien van een merk van afkeuring. Door het aanbrengen van een merk van afkeuring verliest de op de machine of de veiligheidscomponent aangebrachte CE-markering van rechtswege haar geldigheid. Een krachtens de eerste zin gestelde eis moet worden nageleefd door degene tot wie hij is gericht.
2. Het is verboden op een mijnbouwinstallatie of bij mijnbouwkundig werk machines of veiligheidscomponenten voorhanden te hebben of te gebruiken die niet in overeenstemming zijn met het bij en krachtens het Besluit machines bepaalde. Dit verbod geldt niet voor machines als bedoeld in artikel 3 van het Besluit machines.
3. Artikel 19, eerste lid is niet van toepassing op machines en veiligheidscomponenten. De artikelen 19, tweede lid, 83 tot en met 87 en 89 zijn niet van toepassing op machines en veiligheidscomponenten voor zover deze bepalingen eisen stellen met betrekking tot het ontwerp, de vervaardigingswijze of de eigenschappen van machines of veiligheidscomponenten of daarop aangebrachte vermeldingen als bedoeld in artikel 4 van het Besluit machines.
4. Het bij en krachtens artikel 12, eerste en derde lid, van het Besluit machines bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot machines en veiligheidscomponenten die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie of worden gebruikt bij mijnbouwkundig werk, met dien verstande dat het in artikel 12, eerste lid, van het Besluit machines gestelde niet geldt ten aanzien van de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
5. De Inspecteur-Generaal der Mijnen is bevoegd herstelling te eisen van machines of veiligheidscomponenten binnen een door hem vast te stellen termijn. Voorts kan hij, indien blijkt dat een machine of veiligheidscomponent niet in overeenstemming is met het bij en krachtens het Besluit machines bepaalde, die machine of dat veiligheidscomponent voorzien van een merk van afkeuring. Door het aanbrengen van een merk van afkeuring verliest de op de machine of de veiligheidscomponent aangebrachte CE-markering van rechtswege haar geldigheid. Een krachtens de eerste zin gestelde eis moet worden nageleefd door degene tot wie hij is gericht.
- Citeren als
- Art. 91a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl