BWBR0003771
Geldig vanaf 01-08-1996
Artikel II-A4
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Aanstelling in tijdelijke dienst vindt plaats:
a. van degene die tijdelijk afwezig personeel vervangt anders dan bedoeld onder b of e, behoudens het bepaalde in artikel II-A6;
b. vervallen;
c. van degene die met toepassing van artikel I-B2, eerste lid, dan wel artikel I-B3 wordt aangesteld;
d. vervallen;
e. vervallen;
f. van degene, die wordt aangesteld in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor een termijn van maximaal 6 maanden, met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste 6 maanden.
g. ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e1 en e2 die is aangesteld op grond van faciliteiten die door Onze minister ter beschikking zijn gesteld in het kader van het project "Werkgelegenheid Impuls Onderwijs" en waaraan door hem de uitdrukkelijke voorwaarde is verbonden dat de aanstelling in tijdelijke dienst dient plaats te vinden.
2. Aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden
a. indien een betrokkene uitsluitend is belast met het verrichten van werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten, dan wel uitsluitend is belast met formatieruimte die is toegekend ten gevolge van het toekennen van formatieruimte in het kader van contractactiviteiten aan een andere leraar, behoudens het bepaalde in artikel II-A6, tweede lid, dan wel
b. indien het bevoegd gezag een proeftijd als bedoeld in artikel II-A5 wenselijk acht.
3. Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid onderdeel b tot en met c of het tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 en e2, voor ten hoogste één jaar. In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze minister van het bepaalde in de vorige volzin worden afgeweken.
Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid onderdeel a respectievelijk onderdeel g geschiedt ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e1 en e2 telkens voor ten hoogste één jaar met dien verstande dat een aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid, onderdeel g, voor een periode van ten hoogste 4 jaar kan geschieden.
4. Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste of tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e6, e12 tot en met e14, e17 en e18, telkens voor ten hoogste één jaar.
5. Aan de betrokkene wordt ten minste drie maanden vóór het verstrijken van de termijn waarvoor het tijdelijk dienstverband werd aangegaan, schriftelijk meegedeeld of het bevoegd gezag het dienstverband al dan niet wenst voort te zetten, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is.
a. van degene die tijdelijk afwezig personeel vervangt anders dan bedoeld onder b of e, behoudens het bepaalde in artikel II-A6;
b. vervallen;
c. van degene die met toepassing van artikel I-B2, eerste lid, dan wel artikel I-B3 wordt aangesteld;
d. vervallen;
e. vervallen;
f. van degene, die wordt aangesteld in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor een termijn van maximaal 6 maanden, met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste 6 maanden.
g. ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e1 en e2 die is aangesteld op grond van faciliteiten die door Onze minister ter beschikking zijn gesteld in het kader van het project "Werkgelegenheid Impuls Onderwijs" en waaraan door hem de uitdrukkelijke voorwaarde is verbonden dat de aanstelling in tijdelijke dienst dient plaats te vinden.
2. Aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden
a. indien een betrokkene uitsluitend is belast met het verrichten van werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten, dan wel uitsluitend is belast met formatieruimte die is toegekend ten gevolge van het toekennen van formatieruimte in het kader van contractactiviteiten aan een andere leraar, behoudens het bepaalde in artikel II-A6, tweede lid, dan wel
b. indien het bevoegd gezag een proeftijd als bedoeld in artikel II-A5 wenselijk acht.
3. Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid onderdeel b tot en met c of het tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 en e2, voor ten hoogste één jaar. In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze minister van het bepaalde in de vorige volzin worden afgeweken.
Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid onderdeel a respectievelijk onderdeel g geschiedt ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e1 en e2 telkens voor ten hoogste één jaar met dien verstande dat een aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid, onderdeel g, voor een periode van ten hoogste 4 jaar kan geschieden.
4. Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste of tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e6, e12 tot en met e14, e17 en e18, telkens voor ten hoogste één jaar.
5. Aan de betrokkene wordt ten minste drie maanden vóór het verstrijken van de termijn waarvoor het tijdelijk dienstverband werd aangegaan, schriftelijk meegedeeld of het bevoegd gezag het dienstverband al dan niet wenst voort te zetten, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is.
- Citeren als
- Art. II-A4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl