BWBR0003771
Geldig vanaf 01-08-1996
Artikel II-A8
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Het bevoegd gezag verstrekt aan de betrokkene zo mogelijk voor de indiensttreding, doch in elk geval uiterlijk vier weken na indiensttreding, kosteloos een gedagtekende akte van aanstelling, hieronder begrepen het besluit tot verlenging van een aanstelling dan wel heraanstelling in tijdelijke dienst. In het geval uitreiking van de akte van aanstelling voor de indiensttreding niet heeft plaatsgevonden, ontvangt de betrokkene voor de indiensttreding kosteloos een schriftelijke mededeling van het voornemen om tot aanstelling over te gaan.
2. De akte van aanstelling van de betrokkene die bij een bevoegd gezag is aangesteld aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d5, d6, d12 tot en met d14, d17 en d18, vermeldt ten minste:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de aanstelling;
d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;
e. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval tevens de gronden voor en de duur van de aanstelling;
f. de aard en zo mogelijk het niveau en de omvang van de betrekking bij de aanvang daarvan;
g. het feit dat dit besluit van toepassing is;
h. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;
i. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn;
j. in voorkomende gevallen, overeenkomstig de ter zake van verplaatsingskosten geldende bepalingen de verplichting te wonen in een bepaalde gemeente, in een bepaald deel daarvan, in een bepaalde bij de instelling behorende woning of in het internaat van de instelling;
k. de van toepassing zijnde afvloeiingsregeling;
l. in voorkomende gevallen bijzondere bepalingen die van toepassing zijn.
3. Het bepaalde in het tweede lid, onder g, j, en l, geldt eveneens in geval van aanstelling van de betrokkene bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 , onder d1 en d2.
4. Het bevoegd gezag deelt wijzigingen van de inhoud van de akte van aanstelling schriftelijk aan de betrokkene mee.
5. Onze minister kan omtrent de inhoud van de akte van aanstelling nadere voorschriften vaststellen.
6. De betrokkene voor wie een instructie is vastgesteld, ontvangt tevens een afschrift daarvan.
7. Aan de betrokkene wordt bij het overleg inzake zijn eventuele aanstelling tijdig een model van de akte van aanstelling waarin de eventuele bijzondere bepalingen, bedoeld in het tweede lid onder l, zijn opgenomen, ter beschikking gesteld alsmede een model van de instructie voor zover deze voor hem zal gaan gelden.
8. Indien het bevoegd gezag zulks wenst, geeft de betrokkene een ondertekende verklaring af, dat hij de in het eerste, zesde en zevende lid bedoelde bescheiden heeft ontvangen.
9. Wanneer de werkzaamheden feitelijk zijn aangevangen, worden de volledige en juiste gegevens met betrekking tot het niveau en omvang van de betrekking in de akte van aanstelling aangetekend, indien deze ingevolge het eerste lid is uitgereikt.
2. De akte van aanstelling van de betrokkene die bij een bevoegd gezag is aangesteld aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d5, d6, d12 tot en met d14, d17 en d18, vermeldt ten minste:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de aanstelling;
d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;
e. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval tevens de gronden voor en de duur van de aanstelling;
f. de aard en zo mogelijk het niveau en de omvang van de betrekking bij de aanvang daarvan;
g. het feit dat dit besluit van toepassing is;
h. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;
i. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn;
j. in voorkomende gevallen, overeenkomstig de ter zake van verplaatsingskosten geldende bepalingen de verplichting te wonen in een bepaalde gemeente, in een bepaald deel daarvan, in een bepaalde bij de instelling behorende woning of in het internaat van de instelling;
k. de van toepassing zijnde afvloeiingsregeling;
l. in voorkomende gevallen bijzondere bepalingen die van toepassing zijn.
3. Het bepaalde in het tweede lid, onder g, j, en l, geldt eveneens in geval van aanstelling van de betrokkene bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 , onder d1 en d2.
4. Het bevoegd gezag deelt wijzigingen van de inhoud van de akte van aanstelling schriftelijk aan de betrokkene mee.
5. Onze minister kan omtrent de inhoud van de akte van aanstelling nadere voorschriften vaststellen.
6. De betrokkene voor wie een instructie is vastgesteld, ontvangt tevens een afschrift daarvan.
7. Aan de betrokkene wordt bij het overleg inzake zijn eventuele aanstelling tijdig een model van de akte van aanstelling waarin de eventuele bijzondere bepalingen, bedoeld in het tweede lid onder l, zijn opgenomen, ter beschikking gesteld alsmede een model van de instructie voor zover deze voor hem zal gaan gelden.
8. Indien het bevoegd gezag zulks wenst, geeft de betrokkene een ondertekende verklaring af, dat hij de in het eerste, zesde en zevende lid bedoelde bescheiden heeft ontvangen.
9. Wanneer de werkzaamheden feitelijk zijn aangevangen, worden de volledige en juiste gegevens met betrekking tot het niveau en omvang van de betrekking in de akte van aanstelling aangetekend, indien deze ingevolge het eerste lid is uitgereikt.
- Citeren als
- Art. II-A8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl