BWBR0003771
Geldig vanaf 22-03-2002
Artikel II-D3
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene op grond van:
a. opheffing van de instelling of de betrekking of zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de instelling dat zijn werkzaamheden overbodig zullen worden;
b. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, onverminderd het bepaalde in artikel II-D5, vijfde lid, en artikel II-D6, derde lid;
c. het geraken in een toestand van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken, zulks met inachtneming van de bepalingen in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, onverminderd het bepaalde in het vierde lid.
2. Het bevoegd gezag kan het dienstverband van de betrokkene beëindigen:
a. wanneer hij in ernstige mate onbekwaam of ongeschikt blijkt te zijn voor de beklede betrekking anders dan in de gevallen bedoeld in het eerste lid onder c;
b. bij wijze van disciplinaire straf of maatregel in de gevallen en op de wijze als omschreven in hoofdstuk II-C;
c. indien de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
d. indien hij in verband met aanstelling of keuring opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, zonder welke handelwijze niet tot benoeming of geschiktverklaring zou zijn overgegaan, tenzij meer dan 6 maanden zijn verstreken sinds de vaststelling van dit feit;
e. indien ten aanzien van de overurenbetrekking van de betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e10 is komen vast te staan dat in redelijkheid de overuren aan een andere betrokkene binnen een normbetrekking kunnen worden opgedragen;
f. op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.
3. Indien het dienstverband van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2, e5 e10, e12, e14, e17 en e18, wordt beëindigd op grond van de gevallen genoemd in het tweede lid onder a en f, wordt de inspectie gehoord.
a. opheffing van de instelling of de betrekking of zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de instelling dat zijn werkzaamheden overbodig zullen worden;
b. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, onverminderd het bepaalde in artikel II-D5, vijfde lid, en artikel II-D6, derde lid;
c. het geraken in een toestand van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken, zulks met inachtneming van de bepalingen in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, onverminderd het bepaalde in het vierde lid.
2. Het bevoegd gezag kan het dienstverband van de betrokkene beëindigen:
a. wanneer hij in ernstige mate onbekwaam of ongeschikt blijkt te zijn voor de beklede betrekking anders dan in de gevallen bedoeld in het eerste lid onder c;
b. bij wijze van disciplinaire straf of maatregel in de gevallen en op de wijze als omschreven in hoofdstuk II-C;
c. indien de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
d. indien hij in verband met aanstelling of keuring opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, zonder welke handelwijze niet tot benoeming of geschiktverklaring zou zijn overgegaan, tenzij meer dan 6 maanden zijn verstreken sinds de vaststelling van dit feit;
e. indien ten aanzien van de overurenbetrekking van de betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e10 is komen vast te staan dat in redelijkheid de overuren aan een andere betrokkene binnen een normbetrekking kunnen worden opgedragen;
f. op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.
3. Indien het dienstverband van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2, e5 e10, e12, e14, e17 en e18, wordt beëindigd op grond van de gevallen genoemd in het tweede lid onder a en f, wordt de inspectie gehoord.
- Citeren als
- Art. II-D3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl