BWBR0003793
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 84
Landinrichtingswet
1. Een landinrichtingsplan kan worden gewijzigd tot het tijdstip waarop voor het betrokken gedeelte van het gebied het besluit tot vaststelling van het in artikel 131bedoelde begrenzingenplan, of een gedeelte daarvan, wordt genomen.
2. Gedeputeerde staten kunnen tot het tijdstip als bedoeld in het eerste lid de landinrichtingscommissie een aanwijzing geven met betrekking tot een op te stellen wijziging van het landinrichtingsplan, indien zich zodanige omstandigheden voordoen, dat één of meer wezenlijke onderdelen van het landinrichtingsplan niet of ontoereikend kunnen worden verwezenlijkt.
3. De landinrichtingscommissie kan aan gedeputeerde staten haar zienswijze kenbaar maken omtrent het bestaan van omstandigheden als bedoeld in het tweede lid.
4. In afwijking van de artikelen 74 tot en met 83kunnen de grenzen van een blok worden gewijzigd door de landinrichtingscommissie in overeenstemming met de belanghebbende eigenaren.
5. Maakt de landinrichtingscommissie van deze bevoegdheid gebruik dan doet zij hiervan mededeling aan gedeputeerde staten, de rechter-commissaris en de belanghebbende eigenaren.
6. In afwijking van het eerste lid kan een landinrichtingsplan waarvoor geen begrenzingenplan als bedoeld in artikel 131wordt vastgesteld, worden gewijzigd tot het plan van toedeling overeenkomstig artikel 199, eerste lid, ter inzage wordt gelegd.
2. Gedeputeerde staten kunnen tot het tijdstip als bedoeld in het eerste lid de landinrichtingscommissie een aanwijzing geven met betrekking tot een op te stellen wijziging van het landinrichtingsplan, indien zich zodanige omstandigheden voordoen, dat één of meer wezenlijke onderdelen van het landinrichtingsplan niet of ontoereikend kunnen worden verwezenlijkt.
3. De landinrichtingscommissie kan aan gedeputeerde staten haar zienswijze kenbaar maken omtrent het bestaan van omstandigheden als bedoeld in het tweede lid.
4. In afwijking van de artikelen 74 tot en met 83kunnen de grenzen van een blok worden gewijzigd door de landinrichtingscommissie in overeenstemming met de belanghebbende eigenaren.
5. Maakt de landinrichtingscommissie van deze bevoegdheid gebruik dan doet zij hiervan mededeling aan gedeputeerde staten, de rechter-commissaris en de belanghebbende eigenaren.
6. In afwijking van het eerste lid kan een landinrichtingsplan waarvoor geen begrenzingenplan als bedoeld in artikel 131wordt vastgesteld, worden gewijzigd tot het plan van toedeling overeenkomstig artikel 199, eerste lid, ter inzage wordt gelegd.