BWBR0003818
Geldig vanaf 1986-05-01
Artikel 4
Diergeneesmiddelenwet
Diergeneesmiddelen worden behoudens het bepaalde in artikel 5geregistreerd indien:
a. op grond van onderzoek van de door de aanvrager overgelegde gegevens met redelijke zekerheid mag worden aangenomen, dat zij bij gebruik overeenkomstig de door de aanvrager opgegeven voorschriften: 1. de gestelde werking bezitten;
2. geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens;
3. niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren, en
4. niet schadelijk zijn voor het milieu of de gezondheid van planten.
1. de gestelde werking bezitten;
2. geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens;
3. niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren, en
4. niet schadelijk zijn voor het milieu of de gezondheid van planten.
b. zij de opgegeven eigenschappen en kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling bezitten en de voor het controleren daarvan opgegeven methodieken adequaat zijn;
c. zij voldoen aan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gestelde regelen met betrekking tot de substanties waaruit zij zijn samengesteld; en
d. zij, voor zover het sera, entstoffen of biologische diagnostica betreft, niet bereid zijn uit, of met behulp van door Onze Minister aangewezen substanties, waarvan naar zijn oordeel gevaar is te duchten voor de gezondheid van dieren of voor verstoring van de dierziektenbestrijding.
a. op grond van onderzoek van de door de aanvrager overgelegde gegevens met redelijke zekerheid mag worden aangenomen, dat zij bij gebruik overeenkomstig de door de aanvrager opgegeven voorschriften: 1. de gestelde werking bezitten;
2. geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens;
3. niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren, en
4. niet schadelijk zijn voor het milieu of de gezondheid van planten.
1. de gestelde werking bezitten;
2. geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens;
3. niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren, en
4. niet schadelijk zijn voor het milieu of de gezondheid van planten.
b. zij de opgegeven eigenschappen en kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling bezitten en de voor het controleren daarvan opgegeven methodieken adequaat zijn;
c. zij voldoen aan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gestelde regelen met betrekking tot de substanties waaruit zij zijn samengesteld; en
d. zij, voor zover het sera, entstoffen of biologische diagnostica betreft, niet bereid zijn uit, of met behulp van door Onze Minister aangewezen substanties, waarvan naar zijn oordeel gevaar is te duchten voor de gezondheid van dieren of voor verstoring van de dierziektenbestrijding.