BWBR0003818
Geldig vanaf 1986-05-01
Artikel 40
Diergeneesmiddelenwet
1. Onze Minister kan regelen stellen omtrent een door houders van vergunningen, bedoeld in artikel 21en 33, dierenartsen, apothekers en personen, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onder f, te voeren administratie, waaruit voor zover Onze Minister zulks voor elk dezer groepen bepaalt, de voorraad, de produktie, de be- of verwerking, de ontvangst, de herkomst, de aflevering, de vernietiging, de bestemming en het verbruik van daarbij aan te wijzen diergeneesmiddelen en gemedicineerde voeders moet kunnen blijken.
2. Degene die bedrijfsmatig dieren houdt, is verplicht overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regelen in een logboek aantekening te houden van de ontvangst en van de toepassing of vervoedering van door Onze Minister aangewezen diergeneesmiddelen en gemedicineerde voeders.
3. Een dierenarts of een persoon behorende tot een van de krachtens artikel 30, tweede lid, onder f, aangewezen groepen, is verplicht, wanneer hij een diergeneesmiddel toepast ten aanzien waarvan een voorschrift geldt als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder c, om schriftelijk overeenkomstig door Onze Minister gestelde regelen te verklaren welk diergeneesmiddel hij heeft toegepast, bij welke dieren, in welke hoeveelheid en welke wachttermijn is voorgeschreven.
4. Onze Minister kan regelen stellen omtrent het bewaren van de in het eerste lid bedoelde administratie en de daarmee verband houdende bescheiden, van het in het tweede lid bedoelde logboek en de daarmee verband houdende bescheiden alsmede omtrent de wijze van controle door de houder van de administratie hierop.
5. Degene die een dier aan een ander overdraagt is verplicht die ander, met inachtneming van door Onze Minister te stellen nadere regelen, in te lichten met betrekking tot de toepassing bij dat dier van diergeneesmiddelen ten aanzien waarvan een voorschrift als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel cgeldt.
2. Degene die bedrijfsmatig dieren houdt, is verplicht overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regelen in een logboek aantekening te houden van de ontvangst en van de toepassing of vervoedering van door Onze Minister aangewezen diergeneesmiddelen en gemedicineerde voeders.
3. Een dierenarts of een persoon behorende tot een van de krachtens artikel 30, tweede lid, onder f, aangewezen groepen, is verplicht, wanneer hij een diergeneesmiddel toepast ten aanzien waarvan een voorschrift geldt als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder c, om schriftelijk overeenkomstig door Onze Minister gestelde regelen te verklaren welk diergeneesmiddel hij heeft toegepast, bij welke dieren, in welke hoeveelheid en welke wachttermijn is voorgeschreven.
4. Onze Minister kan regelen stellen omtrent het bewaren van de in het eerste lid bedoelde administratie en de daarmee verband houdende bescheiden, van het in het tweede lid bedoelde logboek en de daarmee verband houdende bescheiden alsmede omtrent de wijze van controle door de houder van de administratie hierop.
5. Degene die een dier aan een ander overdraagt is verplicht die ander, met inachtneming van door Onze Minister te stellen nadere regelen, in te lichten met betrekking tot de toepassing bij dat dier van diergeneesmiddelen ten aanzien waarvan een voorschrift als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel cgeldt.