BWBR0003892
Geldig vanaf 1986-02-01
Artikel 13
Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Degene die met betrekking tot een stof overeenkomstig artikel 3een kennisgeving heeft gedaan, is verplicht zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister elke verandering te melden in:
a. de gegevens betreffende de hoeveelheid van de stof die hij vervaardigt, aan een ander ter beschikking stelt of invoert, voor zover zulks bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald;
b. de kennis welke hij met betrekking tot mogelijke effecten die de stof op mens of milieu kan hebben, heeft of redelijkerwijs kan hebben verkregen;
c. de gegevens betreffende de toepassingsgebieden van de stof, welke te zijner kennis zijn of redelijkerwijs kunnen zijn gekomen;
d. de gegevens betreffende de hulpstoffen als bedoeld in artikel 4, zesde lid, toegevoegd aan de stof of de onzuiverheden, als bedoeld in dat lid, voorkomende bij de stof;
e. de gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd;
f. de naam waaronder de stof aan een ander ter beschikking wordt gesteld.
2. De importeur, genoemd in de kennisgeving, bedoeld in artikel 3, derde lid, stelt de kennisgever op de hoogte van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onder b-e.
4. Onze Minister zendt een exemplaar van een melding krachtens het eerste lid zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de melding aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
a. de gegevens betreffende de hoeveelheid van de stof die hij vervaardigt, aan een ander ter beschikking stelt of invoert, voor zover zulks bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald;
b. de kennis welke hij met betrekking tot mogelijke effecten die de stof op mens of milieu kan hebben, heeft of redelijkerwijs kan hebben verkregen;
c. de gegevens betreffende de toepassingsgebieden van de stof, welke te zijner kennis zijn of redelijkerwijs kunnen zijn gekomen;
d. de gegevens betreffende de hulpstoffen als bedoeld in artikel 4, zesde lid, toegevoegd aan de stof of de onzuiverheden, als bedoeld in dat lid, voorkomende bij de stof;
e. de gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd;
f. de naam waaronder de stof aan een ander ter beschikking wordt gesteld.
2. De importeur, genoemd in de kennisgeving, bedoeld in artikel 3, derde lid, stelt de kennisgever op de hoogte van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onder b-e.
4. Onze Minister zendt een exemplaar van een melding krachtens het eerste lid zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de melding aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.