BWBR0003892
Geldig vanaf 1986-02-01
Artikel 14
Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Degene die met betrekking tot een stof overeenkomstig artikel 3een kennisgeving heeft gedaan, is verplicht met betrekking tot die stof nadere gegevens over te leggen, indien hij in enig jaar 100 ton of meer van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd, dan wel indien hij in totaal 500 ton of meer van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd. Met het oog daarop is hij verplicht, het bereiken of overschrijden van de in de eerste volzin aangegeven hoeveelheidsgrenzen terstond aan Onze Minister te melden.
2. Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast welke nadere gegevens met betrekking tot de stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, moeten worden overgelegd en binnen welke termijn dat dient te geschieden. Degene die de kennisgeving heeft gedaan, is verplicht voor het verkrijgen van de vereiste gegevens onderzoek te verrichten. Ingeval de vereiste gegevens reeds ingevolge dit artikel, dan wel ingevolge artikel 16door een ander zijn overgelegd, kan hij in afwijking van de vorige volzin naar die gegevens verwijzen, indien hij een schriftelijke verklaring van de betrokkene overlegt, dat deze tegen de verwijzing geen bedenkingen heeft, dan wel indien de vereiste gegevens ten minste tien jaar tevoren zijn overgelegd. Artikel 4, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
3. De nadere gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden schriftelijk overgelegd. Onze Minister maakt de overlegging van nadere gegevens zo spoedig mogelijk bekend, doch in elk geval binnen zes weken na de dag van ontvangst, dan wel, ingeval met betrekking tot deze gegevens op een verzoek om geheimhouding ingevolge artikel 56nog niet onherroepelijk is beslist, uiterlijk twee weken na de datum waarop zodanige beslissing onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot de bekendmaking zijn de artikelen 9, tweede lid, en artikelen 10, aanhef en onder a, en 11van overeenkomstige toepassing.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de over te leggen nadere gegevens. De artikelen 4, zesde en negende lid, en 5zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Bij zijn besluit op grond van het tweede lid kan Onze Minister in bijzondere gevallen afwijken van de krachtens het vierde lid gestelde regelen, indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof wenselijk is dat met betrekking tot die stof andere, door hem bij zijn besluit aan te wijzen gegevens worden overgelegd, dan wel indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof niet noodzakelijk is dat nadere gegevens worden overgelegd.
6. Onze Minister zendt een exemplaar van de ingevolge een besluit krachtens het tweede lid aan hem overgelegde stukken zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de stukken aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij de stukken voegt hij een exemplaar van zijn in dat lid bedoelde besluit. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast welke nadere gegevens met betrekking tot de stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, moeten worden overgelegd en binnen welke termijn dat dient te geschieden. Degene die de kennisgeving heeft gedaan, is verplicht voor het verkrijgen van de vereiste gegevens onderzoek te verrichten. Ingeval de vereiste gegevens reeds ingevolge dit artikel, dan wel ingevolge artikel 16door een ander zijn overgelegd, kan hij in afwijking van de vorige volzin naar die gegevens verwijzen, indien hij een schriftelijke verklaring van de betrokkene overlegt, dat deze tegen de verwijzing geen bedenkingen heeft, dan wel indien de vereiste gegevens ten minste tien jaar tevoren zijn overgelegd. Artikel 4, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
3. De nadere gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden schriftelijk overgelegd. Onze Minister maakt de overlegging van nadere gegevens zo spoedig mogelijk bekend, doch in elk geval binnen zes weken na de dag van ontvangst, dan wel, ingeval met betrekking tot deze gegevens op een verzoek om geheimhouding ingevolge artikel 56nog niet onherroepelijk is beslist, uiterlijk twee weken na de datum waarop zodanige beslissing onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot de bekendmaking zijn de artikelen 9, tweede lid, en artikelen 10, aanhef en onder a, en 11van overeenkomstige toepassing.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de over te leggen nadere gegevens. De artikelen 4, zesde en negende lid, en 5zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Bij zijn besluit op grond van het tweede lid kan Onze Minister in bijzondere gevallen afwijken van de krachtens het vierde lid gestelde regelen, indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof wenselijk is dat met betrekking tot die stof andere, door hem bij zijn besluit aan te wijzen gegevens worden overgelegd, dan wel indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof niet noodzakelijk is dat nadere gegevens worden overgelegd.
6. Onze Minister zendt een exemplaar van de ingevolge een besluit krachtens het tweede lid aan hem overgelegde stukken zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de stukken aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij de stukken voegt hij een exemplaar van zijn in dat lid bedoelde besluit. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.