BWBR0004306
Geldig vanaf 2004-03-16
Artikel 5A
Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen
1. Een schip gebouwd op of na 1 juli 1986 dient te zijn uitgerust met pompen en pijpleidingen waarmee zeker gesteld kan worden dat een tank bestemd voor het vervoer van vloeistoffen van categorie B, na het ledigen, geen groter restant bevat nabij de zuigopening en in de met deze tank verbonden pijpleidingen dan 0,1 m 3.
2. Een schip gebouwd voor 1 juli 1986 is uitgerust met pompen en pijpleidingen waarmee zeker gesteld kan worden dat een tank, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen van categorie B, na het ledigen, geen groter restant bevat nabij de zuigopening en in de met deze tank verbonden pijpleidingen dan 0,3 m 3.
3. Een schip gebouwd op of na 1 juli 1986 dient te zijn uitgerust met pompen en pijpleidingen waarmee zeker gesteld kan worden dat een tank bestemd voor het vervoer van vloeistoffen van categorie C, na het ledigen, geen groter restant bevat nabij de zuigopening en in de met deze tank verbonden pijpleidingen dan 0,3 m 3.
4. Een schip gebouwd voor 1 juli 1986 is uitgerust met pompen en pijpleidingen waarmee zeker gesteld kan worden dat een tank, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen van categorie C, na het ledigen, geen groter restant bevat nabij de zuigopening en in de met deze tank verbonden pijpleidingen dan 0,9 m 3.
5. a. Het vaststellen dat pompen en pijpleidingen voldoen aan het bepaalde in het eerste, tweede, derde of vierde lid, dient te geschieden door beproeving waarbij water als medium wordt gebruikt.
b. De beproevingen en het vaststellen van de restanthoeveelheden geschieden overeenkomstig de Standards.
6. De bepalingen van het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing op een schip gebouwd voor 1 juli 1986 en dat reizen maakt in een beperkt vaargebied tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag, mits wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:
a. een tank waarin zich vloeistoffen van categorie B of C of mengsels daarvan bevinden en welke dient te worden gewassen of geballast, moet worden voorgewassen overeenkomstig de Standards. Het waswater van deze voorwas moet aan een havenontvangstvoorziening worden afgegeven;
b. overig waswater of ballastwater uit een tank als bedoeld onder a dient aan een havenontvangstvoorziening te worden afgegeven of in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in artikel 5;
c. binnen het beperkte vaargebied dienen de havenontvangstvoorzieningen naar het oordeel van de inspecteur-generaal toereikend te zijn; en
d. het beperkte vaargebied dient te zijn aangetekend op het certificaat als bedoeld in artikel 11.
7. Voor een schip waarvan de bouw en de bedrijfsvoering zodanig zijn dat de ladingtanks niet worden gebruikt voor ballast en slechts dan worden gewassen indien dit nodig is voor reparatie of voor het droogzetten, kan de inspecteur-generaal ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vierde lid indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:
a. het ontwerp, de bouw en de uitrusting zijn goedgekeurd, waarbij rekening is gehouden met de reizen welke het schip zal gaan maken;
b. het waswater van een tank die wordt gewassen alvorens een reparatie wordt uitgevoerd of alvorens het schip wordt drooggezet, aan een havenontvangstvoorziening wordt afgegeven;
c. op het certificaat, bedoeld in artikel 11 is aangetekend: 1°. dat in elke ladingtank alleen een met name genoemde vloeistof mag worden vervoerd; en
2°. de nadere bijzonderheden waaronder de ontheffing wordt verleend; en
1°. dat in elke ladingtank alleen een met name genoemde vloeistof mag worden vervoerd; en
2°. de nadere bijzonderheden waaronder de ontheffing wordt verleend;
d. het schip is voorzien van een handboek als bedoeld in de Standards.
2. Een schip gebouwd voor 1 juli 1986 is uitgerust met pompen en pijpleidingen waarmee zeker gesteld kan worden dat een tank, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen van categorie B, na het ledigen, geen groter restant bevat nabij de zuigopening en in de met deze tank verbonden pijpleidingen dan 0,3 m 3.
3. Een schip gebouwd op of na 1 juli 1986 dient te zijn uitgerust met pompen en pijpleidingen waarmee zeker gesteld kan worden dat een tank bestemd voor het vervoer van vloeistoffen van categorie C, na het ledigen, geen groter restant bevat nabij de zuigopening en in de met deze tank verbonden pijpleidingen dan 0,3 m 3.
4. Een schip gebouwd voor 1 juli 1986 is uitgerust met pompen en pijpleidingen waarmee zeker gesteld kan worden dat een tank, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen van categorie C, na het ledigen, geen groter restant bevat nabij de zuigopening en in de met deze tank verbonden pijpleidingen dan 0,9 m 3.
5. a. Het vaststellen dat pompen en pijpleidingen voldoen aan het bepaalde in het eerste, tweede, derde of vierde lid, dient te geschieden door beproeving waarbij water als medium wordt gebruikt.
b. De beproevingen en het vaststellen van de restanthoeveelheden geschieden overeenkomstig de Standards.
6. De bepalingen van het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing op een schip gebouwd voor 1 juli 1986 en dat reizen maakt in een beperkt vaargebied tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag, mits wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:
a. een tank waarin zich vloeistoffen van categorie B of C of mengsels daarvan bevinden en welke dient te worden gewassen of geballast, moet worden voorgewassen overeenkomstig de Standards. Het waswater van deze voorwas moet aan een havenontvangstvoorziening worden afgegeven;
b. overig waswater of ballastwater uit een tank als bedoeld onder a dient aan een havenontvangstvoorziening te worden afgegeven of in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in artikel 5;
c. binnen het beperkte vaargebied dienen de havenontvangstvoorzieningen naar het oordeel van de inspecteur-generaal toereikend te zijn; en
d. het beperkte vaargebied dient te zijn aangetekend op het certificaat als bedoeld in artikel 11.
7. Voor een schip waarvan de bouw en de bedrijfsvoering zodanig zijn dat de ladingtanks niet worden gebruikt voor ballast en slechts dan worden gewassen indien dit nodig is voor reparatie of voor het droogzetten, kan de inspecteur-generaal ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vierde lid indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:
a. het ontwerp, de bouw en de uitrusting zijn goedgekeurd, waarbij rekening is gehouden met de reizen welke het schip zal gaan maken;
b. het waswater van een tank die wordt gewassen alvorens een reparatie wordt uitgevoerd of alvorens het schip wordt drooggezet, aan een havenontvangstvoorziening wordt afgegeven;
c. op het certificaat, bedoeld in artikel 11 is aangetekend: 1°. dat in elke ladingtank alleen een met name genoemde vloeistof mag worden vervoerd; en
2°. de nadere bijzonderheden waaronder de ontheffing wordt verleend; en
1°. dat in elke ladingtank alleen een met name genoemde vloeistof mag worden vervoerd; en
2°. de nadere bijzonderheden waaronder de ontheffing wordt verleend;
d. het schip is voorzien van een handboek als bedoeld in de Standards.