BWBR0004306
Geldig vanaf 2004-03-16
Artikel 8
Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen
1. a. De kapitein van een schip, dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert dient zorg te dragen dat gehandeld wordt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5 en dit artikel. Hij dient het ladingjournaal volledig te doen bijhouden, indien handelingen als bedoeld in artikel 9 plaatsvinden.
b. Onze Minister kan bepalen dat de kapitein zorg draagt dat het schip alvorens het naar zee vertrekt voorzien is van een schriftelijk bewijs, afgegeven door een door Onze Minister erkende instantie, waaruit blijkt dat is voldaan aan het bepaalde onder a.
c. Een ontheffing als bedoeld in het tweede lid, onder b, het vijfde lid, onder b, het zesde lid, onder c of het zevende lid, onder c, kan alleen worden verleend door de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit alwaar het schip een lading lost. Van een dergelijke ontheffing dient aantekening te worden gemaakt in het ladingjournaal. Deze aantekening dient door de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit te worden gewaarmerkt.
2. Bepalingen voor categorie A vloeistoffen, zowel binnen als buiten een bijzonder gebied
Met betrekking tot een vloeistof van categorie A zijn de navolgende bepalingen van toepassing:
a. behoudens het bepaalde onder b dient een tank, waaruit de lading is gelost, te worden gewassen overeenkomstig het bepaalde in het derde en vierde lid voordat het schip uit de loshaven vertrekt;
b. de kapitein van een schip kan de bevoegde autoriteit van de plaats waar het schip de lading lost, verzoeken te worden ontheven van het bepaalde onder a, indien wordt voldaan aan het navolgende: 1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en aan de voorschriften van het derde en het vierde lid wordt voldaan in een volgende haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en aan de voorschriften van het derde en het vierde lid wordt voldaan in een volgende haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
3. Indien een tank wordt gewassen overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid, onder a, dient het aldus ontstane waswater te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening totdat de concentratie van de vloeistof in het af te geven mengsel is gedaald tot of onder de waarde zoals wordt aangegeven door Onze Minister en vervolgens totdat de tank is leeg gemaakt. De concentratie dient te worden gemeten aan de hand van een monster dat genomen wordt door de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit nabij de losaansluiting van het schip. Van deze handelingen dient aantekening te worden gehouden in het ladingjournaal, bedoeld in artikel 9en deze aantekening moet worden gewaarmerkt door de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit.
4. Indien de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit er van overtuigd is dat het niet redelijk en uitvoerbaar is om de concentratie in een af te geven mengsel te meten zonder daarbij onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken, kan een andere methode worden aanvaard als gelijkwaardig aan het bepaalde in het derde lid mits:
a. een voorwas van de tank plaatsvindt volgens een methode als bedoeld in de Standards; en
b. de daartoe bevoegde autoriteit bevestigt in het ladingjournaal: 1°. dat de tank en de daarbij behorende pompen en pijpleidingen zijn leeggemaakt; en
2°. dat de voorwas van de tank, bedoeld onder a, is uitgevoerd; en
3°. dat het aldus ontstane waswater is afgegeven aan een havenontvangstvoorziening totdat de tank leeg is.
1°. dat de tank en de daarbij behorende pompen en pijpleidingen zijn leeggemaakt; en
2°. dat de voorwas van de tank, bedoeld onder a, is uitgevoerd; en
3°. dat het aldus ontstane waswater is afgegeven aan een havenontvangstvoorziening totdat de tank leeg is.
5. Bepalingen voor categorie B en C vloeistoffen, buiten een bijzonder gebied
Buiten een bijzonder gebied zijn met betrekking tot een vloeistof van categorie B of C de navolgende bepalingen van toepassing:
a. behoudens het bepaalde onder b, dient een tank waaruit de lading is gelost te worden voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards voordat het schip uit de loshaven vertrekt en het waswater dient te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in de loshaven, wanneer: 1°. de geloste vloeistof zodanige eigenschappen heeft dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is, indien het een vloeistof van categorie B betreft, of groter is dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is, indien het een vloeistof van categorie C betreft; of
2°. het lossen niet is uitgevoerd overeenkomstig de Standards tenzij zodanige maatregelen zijn genomen, dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, eerste, tweede, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
1°. de geloste vloeistof zodanige eigenschappen heeft dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is, indien het een vloeistof van categorie B betreft, of groter is dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is, indien het een vloeistof van categorie C betreft; of
2°. het lossen niet is uitgevoerd overeenkomstig de Standards tenzij zodanige maatregelen zijn genomen, dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, eerste, tweede, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
b. de kapitein van een schip kan de bevoegde autoriteit van de plaats waar het schip de lading lost, verzoeken te worden ontheven van het bepaalde onder a, indien wordt voldaan aan het navolgende: 1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode voor ventilatie als bedoeld in de Standards.
1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode voor ventilatie als bedoeld in de Standards.
6. Bepalingen voor categorie B vloeistoffen, binnen een bijzonder gebied
Binnen een bijzonder gebied zijn met betrekking tot een vloeistof van categorie B de navolgende bepalingen van toepassing:
a. behoudens het bepaalde onder b en c, dient een tank waaruit de lading is gelost te worden voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards voordat het schip uit de loshaven vertrekt en het waswater dient te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in de loshaven;
b. het bepaalde onder a is niet van toepassing indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden: 1°. de geloste vloeistof heeft zodanige eigenschappen dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, niet groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is en het restant wordt aan boord gehouden voor lozing in zee buiten een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde van artikel 5, derde lid; en
2°. het lossen is uitgevoerd overeenkomstig de Standards, tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, eerste of tweede lid, al naar gelang van toepassing;
1°. de geloste vloeistof heeft zodanige eigenschappen dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, niet groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is en het restant wordt aan boord gehouden voor lozing in zee buiten een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde van artikel 5, derde lid; en
2°. het lossen is uitgevoerd overeenkomstig de Standards, tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, eerste of tweede lid, al naar gelang van toepassing;
c. de kapitein van een schip kan de bevoegde autoriteit van de plaats waar het schip de lading lost, verzoeken te worden ontheven van het bepaalde onder a, indien wordt voldaan aan het navolgende: 1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
7. Bepalingen voor categorie C vloeistoffen, binnen een bijzonder gebied
Binnen een bijzonder gebied zijn met betrekking tot een vloeistof van categorie C de navolgende bepalingen van toepassing:
a. behoudens het bepaalde onder b en c, dient een tank waaruit de lading is gelost te worden voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards voordat het schip de loshaven verlaat en het waswater dient te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in de loshaven, wanneer: 1°. de geloste vloeistof zodanige eigenschappen heeft dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is; of
2°. het lossen niet is uitgevoerd overeenkomstig de Standards tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
1°. de geloste vloeistof zodanige eigenschappen heeft dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is; of
2°. het lossen niet is uitgevoerd overeenkomstig de Standards tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
b. het bepaalde onder a is niet van toepassing indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden: 1°. de geloste vloeistof heeft zodanige eigenschappen dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, niet groter is dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is en het restant wordt aan boord gehouden voor lozing in zee buiten een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vierde lid; en
2°. het lossen is uitgevoerd overeenkomstig de Standards, tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
1°. de geloste vloeistof heeft zodanige eigenschappen dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, niet groter is dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is en het restant wordt aan boord gehouden voor lozing in zee buiten een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vierde lid; en
2°. het lossen is uitgevoerd overeenkomstig de Standards, tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
c. de kapitein van een schip kan de bevoegde autoriteit van de plaats waar het schip de lading lost, verzoeken te worden ontheven van het bepaalde onder a, indien wordt voldaan aan het navolgende: 1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
8. Bepalingen voor categorie D vloeistoffen, zowel binnen als buiten een bijzonder gebied
De ladingrestanten van een tank die een vloeistof van categorie D heeft bevat en die achterblijven nadat de tank is leeg gelost, dienen te worden verdund en in zee geloosd overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, of door middel van het wassen van een tank te worden verwijderd en afgegeven aan een havenontvangstvoorziening.
9. Ladingrestanten in sloptanks
Alle ladingrestanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, inbegrepen de restanten van de vullings van de ladingpompkamer, dienen te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening:
a. overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, tweede lid, indien de restanten een vloeistof van categorie A bevatten; of
b. binnen een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, zesde of zevende lid, al naar gelang van toepassing indien de restanten een vloeistof van categorie A of B bevatten.
b. Onze Minister kan bepalen dat de kapitein zorg draagt dat het schip alvorens het naar zee vertrekt voorzien is van een schriftelijk bewijs, afgegeven door een door Onze Minister erkende instantie, waaruit blijkt dat is voldaan aan het bepaalde onder a.
c. Een ontheffing als bedoeld in het tweede lid, onder b, het vijfde lid, onder b, het zesde lid, onder c of het zevende lid, onder c, kan alleen worden verleend door de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit alwaar het schip een lading lost. Van een dergelijke ontheffing dient aantekening te worden gemaakt in het ladingjournaal. Deze aantekening dient door de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit te worden gewaarmerkt.
2. Bepalingen voor categorie A vloeistoffen, zowel binnen als buiten een bijzonder gebied
Met betrekking tot een vloeistof van categorie A zijn de navolgende bepalingen van toepassing:
a. behoudens het bepaalde onder b dient een tank, waaruit de lading is gelost, te worden gewassen overeenkomstig het bepaalde in het derde en vierde lid voordat het schip uit de loshaven vertrekt;
b. de kapitein van een schip kan de bevoegde autoriteit van de plaats waar het schip de lading lost, verzoeken te worden ontheven van het bepaalde onder a, indien wordt voldaan aan het navolgende: 1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en aan de voorschriften van het derde en het vierde lid wordt voldaan in een volgende haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en aan de voorschriften van het derde en het vierde lid wordt voldaan in een volgende haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
3. Indien een tank wordt gewassen overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid, onder a, dient het aldus ontstane waswater te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening totdat de concentratie van de vloeistof in het af te geven mengsel is gedaald tot of onder de waarde zoals wordt aangegeven door Onze Minister en vervolgens totdat de tank is leeg gemaakt. De concentratie dient te worden gemeten aan de hand van een monster dat genomen wordt door de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit nabij de losaansluiting van het schip. Van deze handelingen dient aantekening te worden gehouden in het ladingjournaal, bedoeld in artikel 9en deze aantekening moet worden gewaarmerkt door de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit.
4. Indien de daartoe ter plaatse bevoegde autoriteit er van overtuigd is dat het niet redelijk en uitvoerbaar is om de concentratie in een af te geven mengsel te meten zonder daarbij onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken, kan een andere methode worden aanvaard als gelijkwaardig aan het bepaalde in het derde lid mits:
a. een voorwas van de tank plaatsvindt volgens een methode als bedoeld in de Standards; en
b. de daartoe bevoegde autoriteit bevestigt in het ladingjournaal: 1°. dat de tank en de daarbij behorende pompen en pijpleidingen zijn leeggemaakt; en
2°. dat de voorwas van de tank, bedoeld onder a, is uitgevoerd; en
3°. dat het aldus ontstane waswater is afgegeven aan een havenontvangstvoorziening totdat de tank leeg is.
1°. dat de tank en de daarbij behorende pompen en pijpleidingen zijn leeggemaakt; en
2°. dat de voorwas van de tank, bedoeld onder a, is uitgevoerd; en
3°. dat het aldus ontstane waswater is afgegeven aan een havenontvangstvoorziening totdat de tank leeg is.
5. Bepalingen voor categorie B en C vloeistoffen, buiten een bijzonder gebied
Buiten een bijzonder gebied zijn met betrekking tot een vloeistof van categorie B of C de navolgende bepalingen van toepassing:
a. behoudens het bepaalde onder b, dient een tank waaruit de lading is gelost te worden voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards voordat het schip uit de loshaven vertrekt en het waswater dient te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in de loshaven, wanneer: 1°. de geloste vloeistof zodanige eigenschappen heeft dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is, indien het een vloeistof van categorie B betreft, of groter is dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is, indien het een vloeistof van categorie C betreft; of
2°. het lossen niet is uitgevoerd overeenkomstig de Standards tenzij zodanige maatregelen zijn genomen, dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, eerste, tweede, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
1°. de geloste vloeistof zodanige eigenschappen heeft dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is, indien het een vloeistof van categorie B betreft, of groter is dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is, indien het een vloeistof van categorie C betreft; of
2°. het lossen niet is uitgevoerd overeenkomstig de Standards tenzij zodanige maatregelen zijn genomen, dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, eerste, tweede, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
b. de kapitein van een schip kan de bevoegde autoriteit van de plaats waar het schip de lading lost, verzoeken te worden ontheven van het bepaalde onder a, indien wordt voldaan aan het navolgende: 1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode voor ventilatie als bedoeld in de Standards.
1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode voor ventilatie als bedoeld in de Standards.
6. Bepalingen voor categorie B vloeistoffen, binnen een bijzonder gebied
Binnen een bijzonder gebied zijn met betrekking tot een vloeistof van categorie B de navolgende bepalingen van toepassing:
a. behoudens het bepaalde onder b en c, dient een tank waaruit de lading is gelost te worden voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards voordat het schip uit de loshaven vertrekt en het waswater dient te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in de loshaven;
b. het bepaalde onder a is niet van toepassing indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden: 1°. de geloste vloeistof heeft zodanige eigenschappen dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, niet groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is en het restant wordt aan boord gehouden voor lozing in zee buiten een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde van artikel 5, derde lid; en
2°. het lossen is uitgevoerd overeenkomstig de Standards, tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, eerste of tweede lid, al naar gelang van toepassing;
1°. de geloste vloeistof heeft zodanige eigenschappen dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, niet groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is en het restant wordt aan boord gehouden voor lozing in zee buiten een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde van artikel 5, derde lid; en
2°. het lossen is uitgevoerd overeenkomstig de Standards, tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, eerste of tweede lid, al naar gelang van toepassing;
c. de kapitein van een schip kan de bevoegde autoriteit van de plaats waar het schip de lading lost, verzoeken te worden ontheven van het bepaalde onder a, indien wordt voldaan aan het navolgende: 1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
7. Bepalingen voor categorie C vloeistoffen, binnen een bijzonder gebied
Binnen een bijzonder gebied zijn met betrekking tot een vloeistof van categorie C de navolgende bepalingen van toepassing:
a. behoudens het bepaalde onder b en c, dient een tank waaruit de lading is gelost te worden voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards voordat het schip de loshaven verlaat en het waswater dient te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in de loshaven, wanneer: 1°. de geloste vloeistof zodanige eigenschappen heeft dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is; of
2°. het lossen niet is uitgevoerd overeenkomstig de Standards tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
1°. de geloste vloeistof zodanige eigenschappen heeft dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, groter is dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is; of
2°. het lossen niet is uitgevoerd overeenkomstig de Standards tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
b. het bepaalde onder a is niet van toepassing indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden: 1°. de geloste vloeistof heeft zodanige eigenschappen dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, niet groter is dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is en het restant wordt aan boord gehouden voor lozing in zee buiten een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vierde lid; en
2°. het lossen is uitgevoerd overeenkomstig de Standards, tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
1°. de geloste vloeistof heeft zodanige eigenschappen dat de hoeveelheid van het in de tank achterblijvende restant na het lossen van de tank overeenkomstig de Standards, niet groter is dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud, welke van de twee de grootste is en het restant wordt aan boord gehouden voor lozing in zee buiten een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vierde lid; en
2°. het lossen is uitgevoerd overeenkomstig de Standards, tenzij zodanige maatregelen zijn genomen dat, ten genoegen van de ter plaatse bevoegde autoriteit, de restanten zodanig worden verwijderd dat de achterblijvende hoeveelheid niet groter is dan die, bedoeld in artikel 5A, derde of vierde lid, al naar gelang van toepassing;
c. de kapitein van een schip kan de bevoegde autoriteit van de plaats waar het schip de lading lost, verzoeken te worden ontheven van het bepaalde onder a, indien wordt voldaan aan het navolgende: 1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
1°. de tank, die is leeg gelost, wordt opnieuw geladen met dezelfde vloeistof of met een vloeistof die verenigbaar is met de vorige en de uitgeloste tank wordt niet gewassen of geballast alvorens deze opnieuw wordt beladen; of
2°. de tank, die is leeg gelost, wordt op zee niet gewassen of geballast en de tank wordt voorgewassen volgens een methode als bedoeld in de Standards en het waswater wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening in een andere haven, voor welke haven schriftelijk is bevestigd dat voldoende havenontvangstvoorzieningen voor dat doel aanwezig zijn; of
3°. de ladingrestanten in een tank worden verwijderd door middel van een methode van ventilatie als bedoeld in de Standards.
8. Bepalingen voor categorie D vloeistoffen, zowel binnen als buiten een bijzonder gebied
De ladingrestanten van een tank die een vloeistof van categorie D heeft bevat en die achterblijven nadat de tank is leeg gelost, dienen te worden verdund en in zee geloosd overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, of door middel van het wassen van een tank te worden verwijderd en afgegeven aan een havenontvangstvoorziening.
9. Ladingrestanten in sloptanks
Alle ladingrestanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, inbegrepen de restanten van de vullings van de ladingpompkamer, dienen te worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening:
a. overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, tweede lid, indien de restanten een vloeistof van categorie A bevatten; of
b. binnen een bijzonder gebied overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, zesde of zevende lid, al naar gelang van toepassing indien de restanten een vloeistof van categorie A of B bevatten.