BWBR0004942
Geldig vanaf 1991-01-01
Artikel 6
Regeling rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype
1. De vrije doorgang van de toegangen moet minimaal 0,80 m bedragen. De vrije breedte van het gangpad tussen de stoelen moet op een hoogte van 0,90 m en meer boven de vloer tenminste 0,70 m bedragen. Tot een hoogte van 0,90 m boven de vloer mag deze breedte nergens minder dan 0,60 m bedragen.
2. In het achterschip moet een nooduitgang met een vrije doorgang van tenminste 0,80 m zijn aangebracht. De nooduitgang mag worden vervangen door tenminste twee uitwerpbare noodluiken in het dak. Elke nooduitgang in het dak moet een vrije opening van tenminste 0,36 m² hebben.
Daarbij mag de kleinste afmeting niet minder dan 0,50 m bedragen.
3. Indien een passagiersaccommodatie door middel van waterdichte schotten en waterdichte deuren van beperkte hoogte wordt onderverdeeld in waterdichte compartimenten moeten deze compartimenten veilig kunnen worden verlaten. Daarbij mag de vluchtweg vanuit het ene via een ander compartiment lopen.
2. In het achterschip moet een nooduitgang met een vrije doorgang van tenminste 0,80 m zijn aangebracht. De nooduitgang mag worden vervangen door tenminste twee uitwerpbare noodluiken in het dak. Elke nooduitgang in het dak moet een vrije opening van tenminste 0,36 m² hebben.
Daarbij mag de kleinste afmeting niet minder dan 0,50 m bedragen.
3. Indien een passagiersaccommodatie door middel van waterdichte schotten en waterdichte deuren van beperkte hoogte wordt onderverdeeld in waterdichte compartimenten moeten deze compartimenten veilig kunnen worden verlaten. Daarbij mag de vluchtweg vanuit het ene via een ander compartiment lopen.