BWBR0005319
Geldig vanaf 1992-05-15
Artikel 17
Wet vervoer binnenvaart
1. Onze Minister verleent een vergunning voor voortzetting van het beroepsvervoer van goederen gedurende een termijn van ten hoogste een jaar op een daartoe strekkende aanvraag:
a. van de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, van de gezamenlijke erfgenamen van de overleden vergunninghouder of
b. van een, door of namens de vergunninghouder, gemachtigde in geval van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de vergunninghouder.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn gaat in op de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in dat lid. Onze Minister kan op aanvraag in bijzondere gevallen deze termijn met ten hoogste zesentwintig weken verlengen.
3. Onze Minister verleent de vergunning, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na de datum van indiening van de aanvraag.
4. Het bepaalde in de artikelen 11, eerste lid, en 13, eerste lid, is, voor zover het vakbekwaamheid betreft, niet van toepassing op de vergunning, bedoeld in het eerste lid.
a. van de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, van de gezamenlijke erfgenamen van de overleden vergunninghouder of
b. van een, door of namens de vergunninghouder, gemachtigde in geval van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de vergunninghouder.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn gaat in op de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in dat lid. Onze Minister kan op aanvraag in bijzondere gevallen deze termijn met ten hoogste zesentwintig weken verlengen.
3. Onze Minister verleent de vergunning, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na de datum van indiening van de aanvraag.
4. Het bepaalde in de artikelen 11, eerste lid, en 13, eerste lid, is, voor zover het vakbekwaamheid betreft, niet van toepassing op de vergunning, bedoeld in het eerste lid.