BWBR0005674
Geldig vanaf 1999-03-01
Artikel 49
Huisvestingswet
1. Een vordering ten behoeve van een of meer verblijfsgerechtigden als bedoeld in artikel 60a, onder a, of een of meer woningzoekenden als bedoeld in artikel 68, eerste lid, kan, in afwijking van artikel 40, eerste lid, eerste volzin, betrekking hebben op een bij het vorderingsbesluit te bepalen aantal woonruimten, gebouwen, niet zijnde woonruimte, of gedeelten van zodanige gebouwen van dezelfde eigenaar, dat na het tijdstip waarop de vordering is gedaan, ter beschikking komt.
2. Met betrekking tot een vordering als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 40, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede en derde lid, 41, 43, aanhef en onder b en d, 44en 45, eerste lid, tweede volzin, tweede en derde lid, 46, 47, tweede tot en met vierde lid, en 48van toepassing.
3. Tegelijkertijd met de bekendmaking van de last tot vordering wordt hiervan mededeling gedaan in een of meer in de gemeente verspreide dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
4. De eigenaar is verplicht elke woonruimte, elk gebouw als bedoeld in het eerste lid of elk gedeelte daarvan op het tijdstip waarop het ter beschikking komt, ter beschikking van burgemeester en wethouders te stellen, totdat het gevorderde aantal is bereikt.
5. Zodra een terbeschikkingstelling als bedoeld in het derde lid heeft plaatsgevonden, bepalen burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk de door de gemeente aan de eigenaar maandelijks verschuldigde vorderingsvergoeding voor het ter beschikking gestelde.
2. Met betrekking tot een vordering als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 40, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede en derde lid, 41, 43, aanhef en onder b en d, 44en 45, eerste lid, tweede volzin, tweede en derde lid, 46, 47, tweede tot en met vierde lid, en 48van toepassing.
3. Tegelijkertijd met de bekendmaking van de last tot vordering wordt hiervan mededeling gedaan in een of meer in de gemeente verspreide dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
4. De eigenaar is verplicht elke woonruimte, elk gebouw als bedoeld in het eerste lid of elk gedeelte daarvan op het tijdstip waarop het ter beschikking komt, ter beschikking van burgemeester en wethouders te stellen, totdat het gevorderde aantal is bereikt.
5. Zodra een terbeschikkingstelling als bedoeld in het derde lid heeft plaatsgevonden, bepalen burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk de door de gemeente aan de eigenaar maandelijks verschuldigde vorderingsvergoeding voor het ter beschikking gestelde.