BWBR0005834
Geldig vanaf 2005-05-26
Artikel 31
Regeling aquicultuur
1. Elke partij aquicultuurdieren moet het Nederlands grondgebied worden binnengebracht via een erkende inspectiepost.
2. Elke binnenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeld aan de VWA overeenkomstig artikel 1, eerste tot en met derde lid, van verordening 282/2004/EG.
3. Elke partij aquicultuurdieren moet bij aankomst op de erkende inspectiepost ten onderzoek worden aangeboden aan de ambtenaar op die inspectiepost.
4. Bij het in het derde lid bedoelde onderzoek dient aan de ambtenaar te worden overgelegd een door de officiële dierenarts afgegeven, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend origineel certificaat als bedoeld in artikel 21 van de richtlijn 91/67/EEG:
dat in overeenstemming met de regelgeving van de Europese Gemeenschappen is afgegeven;
waaruit tevens dient te blijken dat is voldaan aan nadere voorwaarden die bij de regelgeving van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld aan de invoer van aquicultuurdieren vanuit het betrokken derde land of deel van dat derde land en
waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, en, waaruit blijkt dat, indien de partij bestemd is voor Finland of Zweden, tenminste voldaan is aan de voorschriften die gelden met betrekking tot de invoer in Finland of Zweden van aquicultuurdieren uit Lid-Staten.
5. Ten aanzien van de partij aquicultuurdieren dient voldaan te zijn aan het bepaalde in de artikelen 2, eerste lid, 3en 4.
6. Een partij aquicultuurdieren afkomstig uit Nieuw-Zeeland mag in afwijking van het vierde lid vergezeld gaan van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat dat ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van de Overeenkomst van 17 december 1996 tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG 1997, L 57) is vastgesteld, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. de desbetreffende aquicultuurdieren zijn ingevolge de vorenbedoelde overeenkomst in elk geval op het gebied van de diergezondheid als gelijkwaardig erkend;
b. de partij producten voldoet aan de ingevolge vorenbedoelde regelgeving gestelde bijkomende voorwaarden.
2. Elke binnenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeld aan de VWA overeenkomstig artikel 1, eerste tot en met derde lid, van verordening 282/2004/EG.
3. Elke partij aquicultuurdieren moet bij aankomst op de erkende inspectiepost ten onderzoek worden aangeboden aan de ambtenaar op die inspectiepost.
4. Bij het in het derde lid bedoelde onderzoek dient aan de ambtenaar te worden overgelegd een door de officiële dierenarts afgegeven, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend origineel certificaat als bedoeld in artikel 21 van de richtlijn 91/67/EEG:
dat in overeenstemming met de regelgeving van de Europese Gemeenschappen is afgegeven;
waaruit tevens dient te blijken dat is voldaan aan nadere voorwaarden die bij de regelgeving van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld aan de invoer van aquicultuurdieren vanuit het betrokken derde land of deel van dat derde land en
waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, en, waaruit blijkt dat, indien de partij bestemd is voor Finland of Zweden, tenminste voldaan is aan de voorschriften die gelden met betrekking tot de invoer in Finland of Zweden van aquicultuurdieren uit Lid-Staten.
5. Ten aanzien van de partij aquicultuurdieren dient voldaan te zijn aan het bepaalde in de artikelen 2, eerste lid, 3en 4.
6. Een partij aquicultuurdieren afkomstig uit Nieuw-Zeeland mag in afwijking van het vierde lid vergezeld gaan van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat dat ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van de Overeenkomst van 17 december 1996 tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG 1997, L 57) is vastgesteld, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. de desbetreffende aquicultuurdieren zijn ingevolge de vorenbedoelde overeenkomst in elk geval op het gebied van de diergezondheid als gelijkwaardig erkend;
b. de partij producten voldoet aan de ingevolge vorenbedoelde regelgeving gestelde bijkomende voorwaarden.