BWBR0006051
Geldig vanaf 1993-07-08
Artikel 31
Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993
1. Erkenning van een slachthuis onderscheidenlijk een uitsnijderij geschiedt door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
2. Een erkenning wordt verleend indien uit een door de officiële dierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten.
3. Een inrichting die is erkend op grond van artikel 4.16 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten, op grond van artikel 9 van de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985of op grond van krachtens de Vleeskeuringswetter implementatie van richtlijn 64/433/EEGgestelde regelen kan tevens worden erkend voor het slachten van konijnen of hazen onderscheidenlijk voor uitsnijden van het vlees daarvan, mits wordt voldaan aan artikel 14, eerste lid, van richtlijn 91/495/EEG.
4. Een erkenning wordt eveneens verleend indien:
a. voor zover het betreft een slachthuis, in de inrichting niet meer dan 3000 dieren per week en niet meer dan 150.000 dieren per jaar worden geslacht;
b. voor zover het betreft een uitsnijderij: 1. de inrichting niet in een inrichting als bedoeld in het tweede of derde lid is gelegen, met uitzondering van een inrichting die is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen;
2. indien de inrichting tevens is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen, in die inrichting in totaal niet meer dan 5 ton vlees per week wordt geproduceerd, en
3. in andere gevallen dan als bedoeld onder 2, in de inrichting in totaal niet meer dan 3 ton vlees per week wordt geproduceerd, en
1. de inrichting niet in een inrichting als bedoeld in het tweede of derde lid is gelegen, met uitzondering van een inrichting die is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen;
2. indien de inrichting tevens is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen, in die inrichting in totaal niet meer dan 5 ton vlees per week wordt geproduceerd, en
3. in andere gevallen dan als bedoeld onder 2, in de inrichting in totaal niet meer dan 3 ton vlees per week wordt geproduceerd, en
c. uit een door de officiële dierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat: 1. de inrichting voldoet aan de erkeningsvoorwaarden van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG, zoals deze richtlijn is gewijzigd bij de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992, nr. 92/116/EEG, tot wijziging en bijwerking van Richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PbEG L 62), met dien verstande dat de bevoegde autoriteit, genoemd in laatstgenoemde bijlage, de officiële dierenarts is;
2. in de inrichting aan de VWA de voorzieningen, bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten om niet ter beschikking worden gesteld;
3. het vlees, afkomstig uit de inrichting: wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 27, onderdeel b, onder 3;
wordt bestemd om op de plaatselijke markt hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of aan de consument te worden verkocht zonder voorverpakking of voorafgaande onmiddellijke verpakking;
onder hygiënische omstandigheden naar zijn bestemming wordt vervoerd.
wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 27, onderdeel b, onder 3;
wordt bestemd om op de plaatselijke markt hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of aan de consument te worden verkocht zonder voorverpakking of voorafgaande onmiddellijke verpakking;
onder hygiënische omstandigheden naar zijn bestemming wordt vervoerd.
4. voor zover het betreft de inrichting, bedoeld in onderdeel a: de exploitant, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd: 1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
door of namens de onder 1° genoemde personen de officiële dierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan;
indien de officiële dierenarts of diens assistent niet bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht, die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;
van de inrichting afkomstig, voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees wordt gemerkt op een door de Minister vastgestelde wijze;
de exploitant, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd: 1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
door of namens de onder 1° genoemde personen de officiële dierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan;
indien de officiële dierenarts of diens assistent niet bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht, die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;
van de inrichting afkomstig, voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees wordt gemerkt op een door de Minister vastgestelde wijze;
5. voor zover het een uitsnijderij betreft, hoofdstuk III, punt 10, hoofdstuk VI, hoofdstuk VIII en hoofdstuk IX, punt 42, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG niet van toepassing zijn op de opslag en het uitsnijden, en
6. is gewaarborgd dat in de inrichting de overige hygiëne- en keuringsvoorschriften van richtlijn 71/118/EEG, voor zover van toepassing, worden nageleefd;
1. de inrichting voldoet aan de erkeningsvoorwaarden van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG, zoals deze richtlijn is gewijzigd bij de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992, nr. 92/116/EEG, tot wijziging en bijwerking van Richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PbEG L 62), met dien verstande dat de bevoegde autoriteit, genoemd in laatstgenoemde bijlage, de officiële dierenarts is;
2. in de inrichting aan de VWA de voorzieningen, bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten om niet ter beschikking worden gesteld;
3. het vlees, afkomstig uit de inrichting: wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 27, onderdeel b, onder 3;
wordt bestemd om op de plaatselijke markt hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of aan de consument te worden verkocht zonder voorverpakking of voorafgaande onmiddellijke verpakking;
onder hygiënische omstandigheden naar zijn bestemming wordt vervoerd.
wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 27, onderdeel b, onder 3;
wordt bestemd om op de plaatselijke markt hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of aan de consument te worden verkocht zonder voorverpakking of voorafgaande onmiddellijke verpakking;
onder hygiënische omstandigheden naar zijn bestemming wordt vervoerd.
4. voor zover het betreft de inrichting, bedoeld in onderdeel a: de exploitant, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd: 1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
door of namens de onder 1° genoemde personen de officiële dierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan;
indien de officiële dierenarts of diens assistent niet bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht, die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;
van de inrichting afkomstig, voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees wordt gemerkt op een door de Minister vastgestelde wijze;
de exploitant, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd: 1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
door of namens de onder 1° genoemde personen de officiële dierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan;
indien de officiële dierenarts of diens assistent niet bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht, die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;
van de inrichting afkomstig, voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees wordt gemerkt op een door de Minister vastgestelde wijze;
5. voor zover het een uitsnijderij betreft, hoofdstuk III, punt 10, hoofdstuk VI, hoofdstuk VIII en hoofdstuk IX, punt 42, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG niet van toepassing zijn op de opslag en het uitsnijden, en
6. is gewaarborgd dat in de inrichting de overige hygiëne- en keuringsvoorschriften van richtlijn 71/118/EEG, voor zover van toepassing, worden nageleefd;
5. Een erkenning wordt door de Minister ingetrokken, indien blijkt dat niet of niet meer wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het tweede, derde onderscheidenlijk vierde lid, dan wel indien blijkt dat niet wordt voldaan aan artikel 29. Intrekking geschiedt niet dan na voorafgaande schriftelijke waarschuwing door de Minister en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen aan de evenbedoelde voorschriften en beperkingen moet worden voldaan.
6. Het toezicht op de naleving van de voorschriften, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, berust bij de officiële dierenarts.
2. Een erkenning wordt verleend indien uit een door de officiële dierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten.
3. Een inrichting die is erkend op grond van artikel 4.16 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten, op grond van artikel 9 van de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985of op grond van krachtens de Vleeskeuringswetter implementatie van richtlijn 64/433/EEGgestelde regelen kan tevens worden erkend voor het slachten van konijnen of hazen onderscheidenlijk voor uitsnijden van het vlees daarvan, mits wordt voldaan aan artikel 14, eerste lid, van richtlijn 91/495/EEG.
4. Een erkenning wordt eveneens verleend indien:
a. voor zover het betreft een slachthuis, in de inrichting niet meer dan 3000 dieren per week en niet meer dan 150.000 dieren per jaar worden geslacht;
b. voor zover het betreft een uitsnijderij: 1. de inrichting niet in een inrichting als bedoeld in het tweede of derde lid is gelegen, met uitzondering van een inrichting die is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen;
2. indien de inrichting tevens is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen, in die inrichting in totaal niet meer dan 5 ton vlees per week wordt geproduceerd, en
3. in andere gevallen dan als bedoeld onder 2, in de inrichting in totaal niet meer dan 3 ton vlees per week wordt geproduceerd, en
1. de inrichting niet in een inrichting als bedoeld in het tweede of derde lid is gelegen, met uitzondering van een inrichting die is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen;
2. indien de inrichting tevens is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen, in die inrichting in totaal niet meer dan 5 ton vlees per week wordt geproduceerd, en
3. in andere gevallen dan als bedoeld onder 2, in de inrichting in totaal niet meer dan 3 ton vlees per week wordt geproduceerd, en
c. uit een door de officiële dierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat: 1. de inrichting voldoet aan de erkeningsvoorwaarden van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG, zoals deze richtlijn is gewijzigd bij de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992, nr. 92/116/EEG, tot wijziging en bijwerking van Richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PbEG L 62), met dien verstande dat de bevoegde autoriteit, genoemd in laatstgenoemde bijlage, de officiële dierenarts is;
2. in de inrichting aan de VWA de voorzieningen, bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten om niet ter beschikking worden gesteld;
3. het vlees, afkomstig uit de inrichting: wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 27, onderdeel b, onder 3;
wordt bestemd om op de plaatselijke markt hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of aan de consument te worden verkocht zonder voorverpakking of voorafgaande onmiddellijke verpakking;
onder hygiënische omstandigheden naar zijn bestemming wordt vervoerd.
wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 27, onderdeel b, onder 3;
wordt bestemd om op de plaatselijke markt hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of aan de consument te worden verkocht zonder voorverpakking of voorafgaande onmiddellijke verpakking;
onder hygiënische omstandigheden naar zijn bestemming wordt vervoerd.
4. voor zover het betreft de inrichting, bedoeld in onderdeel a: de exploitant, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd: 1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
door of namens de onder 1° genoemde personen de officiële dierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan;
indien de officiële dierenarts of diens assistent niet bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht, die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;
van de inrichting afkomstig, voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees wordt gemerkt op een door de Minister vastgestelde wijze;
de exploitant, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd: 1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
door of namens de onder 1° genoemde personen de officiële dierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan;
indien de officiële dierenarts of diens assistent niet bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht, die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;
van de inrichting afkomstig, voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees wordt gemerkt op een door de Minister vastgestelde wijze;
5. voor zover het een uitsnijderij betreft, hoofdstuk III, punt 10, hoofdstuk VI, hoofdstuk VIII en hoofdstuk IX, punt 42, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG niet van toepassing zijn op de opslag en het uitsnijden, en
6. is gewaarborgd dat in de inrichting de overige hygiëne- en keuringsvoorschriften van richtlijn 71/118/EEG, voor zover van toepassing, worden nageleefd;
1. de inrichting voldoet aan de erkeningsvoorwaarden van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG, zoals deze richtlijn is gewijzigd bij de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992, nr. 92/116/EEG, tot wijziging en bijwerking van Richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PbEG L 62), met dien verstande dat de bevoegde autoriteit, genoemd in laatstgenoemde bijlage, de officiële dierenarts is;
2. in de inrichting aan de VWA de voorzieningen, bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten om niet ter beschikking worden gesteld;
3. het vlees, afkomstig uit de inrichting: wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 27, onderdeel b, onder 3;
wordt bestemd om op de plaatselijke markt hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of aan de consument te worden verkocht zonder voorverpakking of voorafgaande onmiddellijke verpakking;
onder hygiënische omstandigheden naar zijn bestemming wordt vervoerd.
wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 27, onderdeel b, onder 3;
wordt bestemd om op de plaatselijke markt hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of aan de consument te worden verkocht zonder voorverpakking of voorafgaande onmiddellijke verpakking;
onder hygiënische omstandigheden naar zijn bestemming wordt vervoerd.
4. voor zover het betreft de inrichting, bedoeld in onderdeel a: de exploitant, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd: 1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
door of namens de onder 1° genoemde personen de officiële dierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan;
indien de officiële dierenarts of diens assistent niet bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht, die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;
van de inrichting afkomstig, voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees wordt gemerkt op een door de Minister vastgestelde wijze;
de exploitant, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd: 1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
1º de inkomende dieren en de uitgaande slachtproducten;
2º de uitgevoerde controles;
3º de resultaten van de controles, en ervoor zorgdraagt dat de gegevens desgevraagd aan de officiële dierenarts worden meegedeeld;
door of namens de onder 1° genoemde personen de officiële dierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan;
indien de officiële dierenarts of diens assistent niet bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht, die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;
van de inrichting afkomstig, voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees wordt gemerkt op een door de Minister vastgestelde wijze;
5. voor zover het een uitsnijderij betreft, hoofdstuk III, punt 10, hoofdstuk VI, hoofdstuk VIII en hoofdstuk IX, punt 42, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG niet van toepassing zijn op de opslag en het uitsnijden, en
6. is gewaarborgd dat in de inrichting de overige hygiëne- en keuringsvoorschriften van richtlijn 71/118/EEG, voor zover van toepassing, worden nageleefd;
5. Een erkenning wordt door de Minister ingetrokken, indien blijkt dat niet of niet meer wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het tweede, derde onderscheidenlijk vierde lid, dan wel indien blijkt dat niet wordt voldaan aan artikel 29. Intrekking geschiedt niet dan na voorafgaande schriftelijke waarschuwing door de Minister en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen aan de evenbedoelde voorschriften en beperkingen moet worden voldaan.
6. Het toezicht op de naleving van de voorschriften, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, berust bij de officiële dierenarts.