BWBR0006051
Geldig vanaf 1993-07-08
Artikel 7
Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993
1. Het vervoer van uit een derde land, niet zijnde Noorwegen, verzonden konijnenvlees of hazenvlees van de plaats waar de partij on Nederlands grondgebied wordt gebracht naar de plaats van bestemming is slechts toegestaan indien:
a. het vlees afkomstig is uit een derde land of deel van een derde land dat voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, vermeld staat op de lijst in bijlage II bij beschikking 2000/585/EG;
b. het vlees vergezeld gaat van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het voor de betrokken vleessoort uit het betrokken land van herkomst in beschikking 2000/585/EG vastgestelde model;
c. het vlees voldoet aan de voorschriften die zijn vermeld op het in onderdeel b bedoelde certificaat en in beschikking 2000/585/EG, en
d. het vlees afkomstig is uit een inrichting die, zodra deze is vastgesteld en in werking getreden, voorkomt op de voor konijnen- of hazenvlees uit het betrokken land van herkomst geldende voorlopige lijst van inrichtingen als bedoeld in beschikking 95/408/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1995 tot vaststelling van voorschriften voor het opstellen voor een overgangsperiode van voorlopige lijsten van inrichtingen in derde landen waaruit de lid-staten bepaalde producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren mogen invoeren (PbEG L 243), die alsdan ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in Den Haag, met dien verstande dat indien bij de vaststelling van voornoemde lijst is voorzien in overgangsbepalingen het vlees met inachtneming van die bepalingen afkomstig mag zijn uit een inrichting die voldoet aan artikel 3 van richtlijn 91/495/EEG.
2. Een partij konijnen- of hazenvlees afkomstig uit Nieuw-Zeeland mag in afwijking van hetgeen in het eerste lid, onderdeel b, dan wel paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van de Regeling keuring en handel dierlijke productenis bepaald ten aanzien van de voor dierlijke producten uit derde landen voorgeschreven gezondheidscertificaten, vergezeld gaan van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat dat ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van de Overeenkomst van 17 december 1996 tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG 1997, L 57) is vastgesteld, indien de desbetreffende partij voldoet aan de ingevolge vorenbedoelde regelgeving gestelde bijkomende voorwaarden.
3. Het vlees is niet afkomstig van konijnen waaraan stoffen zijn toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 96/22/EGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1996 betreffende het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEGen 88/299/EEG(PbEG L 125), niet aan konijnen mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.
a. het vlees afkomstig is uit een derde land of deel van een derde land dat voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, vermeld staat op de lijst in bijlage II bij beschikking 2000/585/EG;
b. het vlees vergezeld gaat van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het voor de betrokken vleessoort uit het betrokken land van herkomst in beschikking 2000/585/EG vastgestelde model;
c. het vlees voldoet aan de voorschriften die zijn vermeld op het in onderdeel b bedoelde certificaat en in beschikking 2000/585/EG, en
d. het vlees afkomstig is uit een inrichting die, zodra deze is vastgesteld en in werking getreden, voorkomt op de voor konijnen- of hazenvlees uit het betrokken land van herkomst geldende voorlopige lijst van inrichtingen als bedoeld in beschikking 95/408/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1995 tot vaststelling van voorschriften voor het opstellen voor een overgangsperiode van voorlopige lijsten van inrichtingen in derde landen waaruit de lid-staten bepaalde producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren mogen invoeren (PbEG L 243), die alsdan ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in Den Haag, met dien verstande dat indien bij de vaststelling van voornoemde lijst is voorzien in overgangsbepalingen het vlees met inachtneming van die bepalingen afkomstig mag zijn uit een inrichting die voldoet aan artikel 3 van richtlijn 91/495/EEG.
2. Een partij konijnen- of hazenvlees afkomstig uit Nieuw-Zeeland mag in afwijking van hetgeen in het eerste lid, onderdeel b, dan wel paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van de Regeling keuring en handel dierlijke productenis bepaald ten aanzien van de voor dierlijke producten uit derde landen voorgeschreven gezondheidscertificaten, vergezeld gaan van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat dat ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van de Overeenkomst van 17 december 1996 tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG 1997, L 57) is vastgesteld, indien de desbetreffende partij voldoet aan de ingevolge vorenbedoelde regelgeving gestelde bijkomende voorwaarden.
3. Het vlees is niet afkomstig van konijnen waaraan stoffen zijn toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 96/22/EGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1996 betreffende het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEGen 88/299/EEG(PbEG L 125), niet aan konijnen mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.