BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel 19
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. Op de uitkering worden geheel in mindering gebracht:
a. inkomsten wegens loonderving;
b. inkomsten wegens ouderdomspensioen;
c. inkomsten wegens uitkering op grond van het bepaalde bij of krachtens dan wel op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
2. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, dienen betrekking te hebben op de periode waarover de betrokkene recht heeft op een uitkering op grond van dit besluit.
3. Indien de betrokkene wegens beëindiging van een dienstbetrekking ouderdomspensioen ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid, de uitkering per dag niet hoger gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals die is of zou zijn vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het pensioen per dag dat op die dag is ontvangen.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt het dagloon zoals dat is of zou zijn vastgesteld op de eerste dag waarop het ouderdomspensioen wordt ontvangen, voor zoveel nodig herzien overeenkomstig artikel 28.
5. In afwijking van het eerste lid worden de in onder avan dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:
a. verband houden met de beëindiging van een dienstbetrekking;
b. ter zake van werkloosheid ten gevolge van een niet geëindigde dienstbetrekking worden ontvangen;
c. bestaan uit een uitkering als bedoeld in artikel 27, tweede lid;
d. uit hoofde van een tijdens het recht op uitkering vervulde dienstbetrekking worden ontvangen.
6. In afwijking van het eerste lid worden de in onder aen cvan dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:
a. door de betrokkene reeds voor het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;
b. door de betrokkene na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
7. In afwijking van het eerste lid worden de onder bvan dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan en de dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
8. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, wordt onder ouderdomspensioen verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Bij ministeriële regeling kunnen uitkeringen gelijkgesteld worden met ouderdomspensioen.
a. inkomsten wegens loonderving;
b. inkomsten wegens ouderdomspensioen;
c. inkomsten wegens uitkering op grond van het bepaalde bij of krachtens dan wel op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
2. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, dienen betrekking te hebben op de periode waarover de betrokkene recht heeft op een uitkering op grond van dit besluit.
3. Indien de betrokkene wegens beëindiging van een dienstbetrekking ouderdomspensioen ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid, de uitkering per dag niet hoger gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals die is of zou zijn vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het pensioen per dag dat op die dag is ontvangen.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt het dagloon zoals dat is of zou zijn vastgesteld op de eerste dag waarop het ouderdomspensioen wordt ontvangen, voor zoveel nodig herzien overeenkomstig artikel 28.
5. In afwijking van het eerste lid worden de in onder avan dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:
a. verband houden met de beëindiging van een dienstbetrekking;
b. ter zake van werkloosheid ten gevolge van een niet geëindigde dienstbetrekking worden ontvangen;
c. bestaan uit een uitkering als bedoeld in artikel 27, tweede lid;
d. uit hoofde van een tijdens het recht op uitkering vervulde dienstbetrekking worden ontvangen.
6. In afwijking van het eerste lid worden de in onder aen cvan dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:
a. door de betrokkene reeds voor het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;
b. door de betrokkene na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
7. In afwijking van het eerste lid worden de onder bvan dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan en de dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
8. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, wordt onder ouderdomspensioen verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Bij ministeriële regeling kunnen uitkeringen gelijkgesteld worden met ouderdomspensioen.