BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel III
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sub 3 die op of na 1 maart 1994, doch uiterlijk per 1 augustus 1996 wordt ontslagen in verband met opheffing van de school of instelling waaraan hij op 28 februari 1994 werkzaam was, behoudt aanspraak op de ontslag uitkeringsregelingals bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 28 februari 1994, indien het ontslag het gevolg is van de afbouw van een school of instelling in het voortgezet onderwijs in verband met de opheffingsnorm, zoals die geldt tot 1 augustus 1995 waarvan de eerste fase van afbouw heeft plaatsgevonden op of vóór 1 augustus 1993.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op opheffingen van scholen op grond van de opheffingsnorm zoals die geldt met ingang van 1 augustus 1995, tenzij het besluit tot opheffing genomen is voor 1 augustus 1993 en de afbouw op of vóór 1 augustus 1993 is aangevangen.
3. De betrokkene werkzaam aan een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 31 juli 1993, voor zover het betreft een instelling of een cursus voor algemeen en op het beroep gericht onderwijs welke instelling, cursus dan wel een instituut voor deeltijd vervolg/beroepsonderwijs van rechtswege wordt opgeheven, dan wel van welke instelling, cursus, of instituut de bekostiging wordt beëindigd in verband met de invoering van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; dan wel, de betrokkene werkzaam aan een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d4, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 31 juli 1993, welke instelling van rechtswege wordt beëindigd in verband met de invoering van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; dan wel, de betrokkene werkzaam aan een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d3, zoals dat luidde op 31 juli 1993, voor zover het betreft een instelling voor dag/avondonderwijs, welke instelling van rechtswege wordt opgeheven dan wel van welke instelling of cursus de bekostiging wordt beëindigd in verband met de invoering van het voortgezet algemeen volwassenen onderwijs; dan wel, de betrokkene werkzaam bij de Stichting Georganiseerd Schoolwezen Beroepsonderwijs, van welke stichting de bekostiging wordt beëindigd in verband met de invoering van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, voor zover op deze betrokkene het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneelvan toepassing was op 28 februari 1994, die op of na 1 maart 1994, doch uiterlijk op 1 augustus 1996 wordt ontslagen wegens opheffing van de instelling waaraan hij op 28 februari 1994 werkzaam was, behoudt recht op de ontslag uitkeringsregelingals bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 28 februari 1994.
4. De betrokkene werkzaam bij de Stichting Landelijke organisatie christelijk vormingswerk dan wel de Stichting Landelijke organisatie vormingswerk werkende jongeren, voor zover deze betrokkene wordt ontslagen in verband met de vermindering van de rijkssubsidie voor deze stichtingen en voor zover op deze betrokkene hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneeldan wel de Rechtspositieregeling Vormingswerk Leerplichtvrije jeugd van toepassing was op 28 februari 1994; dan wel, de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder d13, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, die op of na 1 maart 1994, doch uiterlijk op 1 januari 1996 wordt ontslagen wegens opheffing van de instelling waaraan hij op 28 februari 1994 werkzaam was, behoudt recht op de ontslag uitkeringsregelingals bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 28 februari 1994.
5. Het derde lid en vierde lid zijn slechts van toepassing voor zover het de opheffing van instellingen betreft zonder dat deze instellingen worden samengevoegd met andere instellingen die middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk worden gesubsidieerd ten laste van hoofdstuk VIII van de rijksbegroting:
a. in het kader van de vaststelling van het Plan van Spreiding en Situering Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs, dan wel;
b. in het kader van de vaststelling van het Plan van Spreiding en Situering Cursorisch Beroepsonderwijs, dan wel;
c. in het kader van de vaststelling van het Herstructueringsplan Landelijke organen, dan wel;
d. in het kader van de beëindiging van de bekostiging van de Stichting Georganiseerd Schoolwezen Beroepsonderwijs, dan wel;
e. in het kader van de maatregelen met betrekking tot inperking van de subsidie voor de Landelijke Organisatie Vormingswerk Werkende Jongeren en de Landelijke Organisatie Christelijk Vormingswerk, dan wel;
f. in het kader van de wijziging van de Ondersteuningsstructuur Volwasseneneducatie, zoals bedoeld in de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE.
6. Het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneelis niet van toepassing op degene die op of na 1 maart 1994 is of wordt ontslagen ten gevolge van de operatie herstructurering van het wetenschappelijk theologisch onderwijs in Nederland waarop het convenant tussen de Centrale Beleidscommissie voor de Katholieke Instellingen van Wetenschappelijk Theologisch Onderwijs en de minister van Onderwijs en Wetenschappen van 4 juli 1991, zoals uitgewerkt in de brief van 19 januari 1993, kenmerk WO/U-930027-72, van toepassing is.
7. De betrokkene die valt onder het sociaal plan inzake de beëindiging Programma Indonesische Studiën, heeft overeenkomstig artikel 4.5en 4.6 van dat sociaal plan aanspraak op een ontslaguitkering, zoals deze luidde op 28 februari 1994.
8. Voor de diensttijd die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de duur van de ontslaguitkering als bedoeld in het eerste en derde lid, wordt het ontslag geacht te zijn ingegaan op 1 maart 1994.
9. De betrokkene die recht heeft op een uitkering ingevolge dit artikel dient daartoe een verzoek in bij het uitvoeringsorgaan.
10. Indien een uitkering op grond van dit artikel is toegekend, kan de betrokkene ter zake van dat ontslag geen aanspraak maken op een uitkering op grond van artikel 24onderscheidenlijk artikel 36.
11. Het bepaalde in artikel IIis van toepassing op een uitkering op grond van dit artikel.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op opheffingen van scholen op grond van de opheffingsnorm zoals die geldt met ingang van 1 augustus 1995, tenzij het besluit tot opheffing genomen is voor 1 augustus 1993 en de afbouw op of vóór 1 augustus 1993 is aangevangen.
3. De betrokkene werkzaam aan een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 31 juli 1993, voor zover het betreft een instelling of een cursus voor algemeen en op het beroep gericht onderwijs welke instelling, cursus dan wel een instituut voor deeltijd vervolg/beroepsonderwijs van rechtswege wordt opgeheven, dan wel van welke instelling, cursus, of instituut de bekostiging wordt beëindigd in verband met de invoering van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; dan wel, de betrokkene werkzaam aan een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d4, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 31 juli 1993, welke instelling van rechtswege wordt beëindigd in verband met de invoering van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; dan wel, de betrokkene werkzaam aan een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d3, zoals dat luidde op 31 juli 1993, voor zover het betreft een instelling voor dag/avondonderwijs, welke instelling van rechtswege wordt opgeheven dan wel van welke instelling of cursus de bekostiging wordt beëindigd in verband met de invoering van het voortgezet algemeen volwassenen onderwijs; dan wel, de betrokkene werkzaam bij de Stichting Georganiseerd Schoolwezen Beroepsonderwijs, van welke stichting de bekostiging wordt beëindigd in verband met de invoering van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, voor zover op deze betrokkene het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneelvan toepassing was op 28 februari 1994, die op of na 1 maart 1994, doch uiterlijk op 1 augustus 1996 wordt ontslagen wegens opheffing van de instelling waaraan hij op 28 februari 1994 werkzaam was, behoudt recht op de ontslag uitkeringsregelingals bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 28 februari 1994.
4. De betrokkene werkzaam bij de Stichting Landelijke organisatie christelijk vormingswerk dan wel de Stichting Landelijke organisatie vormingswerk werkende jongeren, voor zover deze betrokkene wordt ontslagen in verband met de vermindering van de rijkssubsidie voor deze stichtingen en voor zover op deze betrokkene hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneeldan wel de Rechtspositieregeling Vormingswerk Leerplichtvrije jeugd van toepassing was op 28 februari 1994; dan wel, de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder d13, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, die op of na 1 maart 1994, doch uiterlijk op 1 januari 1996 wordt ontslagen wegens opheffing van de instelling waaraan hij op 28 februari 1994 werkzaam was, behoudt recht op de ontslag uitkeringsregelingals bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, zoals dat luidde op 28 februari 1994.
5. Het derde lid en vierde lid zijn slechts van toepassing voor zover het de opheffing van instellingen betreft zonder dat deze instellingen worden samengevoegd met andere instellingen die middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk worden gesubsidieerd ten laste van hoofdstuk VIII van de rijksbegroting:
a. in het kader van de vaststelling van het Plan van Spreiding en Situering Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs, dan wel;
b. in het kader van de vaststelling van het Plan van Spreiding en Situering Cursorisch Beroepsonderwijs, dan wel;
c. in het kader van de vaststelling van het Herstructueringsplan Landelijke organen, dan wel;
d. in het kader van de beëindiging van de bekostiging van de Stichting Georganiseerd Schoolwezen Beroepsonderwijs, dan wel;
e. in het kader van de maatregelen met betrekking tot inperking van de subsidie voor de Landelijke Organisatie Vormingswerk Werkende Jongeren en de Landelijke Organisatie Christelijk Vormingswerk, dan wel;
f. in het kader van de wijziging van de Ondersteuningsstructuur Volwasseneneducatie, zoals bedoeld in de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE.
6. Het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneelis niet van toepassing op degene die op of na 1 maart 1994 is of wordt ontslagen ten gevolge van de operatie herstructurering van het wetenschappelijk theologisch onderwijs in Nederland waarop het convenant tussen de Centrale Beleidscommissie voor de Katholieke Instellingen van Wetenschappelijk Theologisch Onderwijs en de minister van Onderwijs en Wetenschappen van 4 juli 1991, zoals uitgewerkt in de brief van 19 januari 1993, kenmerk WO/U-930027-72, van toepassing is.
7. De betrokkene die valt onder het sociaal plan inzake de beëindiging Programma Indonesische Studiën, heeft overeenkomstig artikel 4.5en 4.6 van dat sociaal plan aanspraak op een ontslaguitkering, zoals deze luidde op 28 februari 1994.
8. Voor de diensttijd die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de duur van de ontslaguitkering als bedoeld in het eerste en derde lid, wordt het ontslag geacht te zijn ingegaan op 1 maart 1994.
9. De betrokkene die recht heeft op een uitkering ingevolge dit artikel dient daartoe een verzoek in bij het uitvoeringsorgaan.
10. Indien een uitkering op grond van dit artikel is toegekend, kan de betrokkene ter zake van dat ontslag geen aanspraak maken op een uitkering op grond van artikel 24onderscheidenlijk artikel 36.
11. Het bepaalde in artikel IIis van toepassing op een uitkering op grond van dit artikel.