BWBR0006918
Geldig vanaf 25-02-1997
Artikel 10
Tuchtreglement COKZ
1. Een bij het tuchtgerecht aangebrachte zaak kan door de voorzitter worden afgedaan, indien naar zijn oordeel geen andere maatregel dan een berisping of een geldboete van ten hoogste f 5000,– dient te worden opgelegd. In dat geval wordt een afschrift van de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verklaring tevoren aan de aangeslotene toegezonden en wordt de aangeslotene in de gelegenheid gesteld schriftelijk verweer te voeren binnen twee weken na verzending van die verklaring.
2. De met toepassing van het eerste lid gegeven tuchtbeschikking bevat de gronden en wijst de voorschriften aan, waarop zij berust, en – zo tot het opleggen van een maatregel wordt besloten – ook deze maatregel. Zij wordt terstond bij aangetekende brief ter kennis van de aangeslotene gebracht, onder mededeling van het bepaalde in het volgende lid. Afschrift van de beschikking wordt gezonden aan het centraal bestuur en degene die de zaak namens het centraal bestuur aanhangig heeft gemaakt en voorts aan de in artikel 9, derde lid, bedoelde Officier van Justitie, tenzij deze heeft laten weten dat daarvan kan worden afgezien.
3. De aangeslotene, het centraal bestuur en degene die de zaak namens het centraal bestuur aanhangig heeft gemaakt, kunnen bij brief, verzonden binnen vier weken na dagtekening van de tuchtbeschikking van de voorzitter, aan het tuchtgerecht mondelinge behandeling verzoeken. In dat geval wordt de tuchtbeschikking van de voorzitter als niet gegeven beschouwd en wordt de zaak verder overeenkomstig de volgende artikelen behandeld.
4. Een beroep als bedoeld in artikel 22 staat tegen een tuchtbeschikking van de voorzitter niet open.
2. De met toepassing van het eerste lid gegeven tuchtbeschikking bevat de gronden en wijst de voorschriften aan, waarop zij berust, en – zo tot het opleggen van een maatregel wordt besloten – ook deze maatregel. Zij wordt terstond bij aangetekende brief ter kennis van de aangeslotene gebracht, onder mededeling van het bepaalde in het volgende lid. Afschrift van de beschikking wordt gezonden aan het centraal bestuur en degene die de zaak namens het centraal bestuur aanhangig heeft gemaakt en voorts aan de in artikel 9, derde lid, bedoelde Officier van Justitie, tenzij deze heeft laten weten dat daarvan kan worden afgezien.
3. De aangeslotene, het centraal bestuur en degene die de zaak namens het centraal bestuur aanhangig heeft gemaakt, kunnen bij brief, verzonden binnen vier weken na dagtekening van de tuchtbeschikking van de voorzitter, aan het tuchtgerecht mondelinge behandeling verzoeken. In dat geval wordt de tuchtbeschikking van de voorzitter als niet gegeven beschouwd en wordt de zaak verder overeenkomstig de volgende artikelen behandeld.
4. Een beroep als bedoeld in artikel 22 staat tegen een tuchtbeschikking van de voorzitter niet open.
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0006918
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl