BWBR0006918
Geldig vanaf 25-02-1997
Artikel 23
Tuchtreglement COKZ
1. Hoger beroep wordt ingesteld door een schriftelijke mededeling, welke door de raad van beroep of diens secretaris moet zijn ontvangen binnen vier weken na ter post bezorging van de in artikel 20, tweede lid, bedoelde aangetekende brieven. In geval deze termijn wordt overschreden, kan de raad de appellant niettemin in zijn hoger beroep ontvankelijk verklaren, indien daartoe naar zijn oordeel bijzondere aanleiding bestaat.
2. De schriftelijke mededeling, bedoeld in het vorige lid, vermeldt de naam en het adres van de appellant, en gaat vergezeld van een afschrift van de tuchtbeschikking waartegen het hoger beroep is gericht.
3. De secretaris van de raad van beroep zendt bericht van het ingestelde beroep aan de andere partij, aan de in artikel 9, derde lid, bedoelde Officier van Justitie, tenzij deze heeft laten weten dat daarvan kan worden afgezien, en aan de secretaris van het tuchtgerecht. De secretaris van dit tuchtgerecht zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan de raad van beroep.
4. Op het geding bij de raad van beroep is het bepaalde in artikel 11, eerste en derde lid, en de artikelen 12 tot en met 20 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van ’het tuchtgerecht’ gelezen moet worden: ’de raad van beroep’. Ter zitting van de raad van beroep kan het centraal bestuur of degene die de zaak namens het centraal bestuur aanhangig heeft gemaakt zich doen bijstaan door een raadsman.
5. Indien de appellant ontvankelijk is in zijn beroep, kan de raad van beroep de beschikking waartegen het beroep is gericht, bekrachtigen of vernietigen. In het laatste geval doet de raad de zaak zelf af.
2. De schriftelijke mededeling, bedoeld in het vorige lid, vermeldt de naam en het adres van de appellant, en gaat vergezeld van een afschrift van de tuchtbeschikking waartegen het hoger beroep is gericht.
3. De secretaris van de raad van beroep zendt bericht van het ingestelde beroep aan de andere partij, aan de in artikel 9, derde lid, bedoelde Officier van Justitie, tenzij deze heeft laten weten dat daarvan kan worden afgezien, en aan de secretaris van het tuchtgerecht. De secretaris van dit tuchtgerecht zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan de raad van beroep.
4. Op het geding bij de raad van beroep is het bepaalde in artikel 11, eerste en derde lid, en de artikelen 12 tot en met 20 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van ’het tuchtgerecht’ gelezen moet worden: ’de raad van beroep’. Ter zitting van de raad van beroep kan het centraal bestuur of degene die de zaak namens het centraal bestuur aanhangig heeft gemaakt zich doen bijstaan door een raadsman.
5. Indien de appellant ontvankelijk is in zijn beroep, kan de raad van beroep de beschikking waartegen het beroep is gericht, bekrachtigen of vernietigen. In het laatste geval doet de raad de zaak zelf af.
- Citeren als
- Art. 23
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0006918
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl