BWBR0006918
Geldig vanaf 25-02-1997
Artikel 9
Tuchtreglement COKZ
1. Een zaak wordt binnen vier maanden na constatering van de ten laste gelegde overtreding door of namens het centraal bestuur bij het tuchtgerecht aanhangig gemaakt door middel van een schriftelijke verklaring, inhoudende:
een korte omschrijving van de ten laste gelegde overtreding met vermelding van de relevante feiten; naam en adres van de betrokken aangeslotene of aangeslotenen. De schriftelijke verklaring kan vergezeld gaan van een voorstel van of namens het centraal bestuur met betrekking tot de op te leggen tuchtmaatregel.
2. Tezamen met de in het vorige lid bedoelde schriftelijke verklaring dienen alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het tuchtgerecht te worden overgelegd.
3. Afschriften van de schriftelijke verklaring en van alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden gezonden aan de Officier van Justitie bij de rechtbank van het arrondissement waar de overtreding zou zijn gepleegd. Toezending aan de Officier van Justitie geschiedt niet, indien deze heeft laten weten dat daarvan kan worden afgezien.
4. Een zaak wordt niet aanhangig gemaakt dan ingevolge overleg met de Officier van Justitie.
5. Dit overleg wordt door of namens de voorzitter van het centraal bestuur gevoerd.
6. De directeur van het COKZ of diens plaatsvervanger is, voorzover het centraal bestuur niet anders bepaalt, bevoegd ter uitvoering van het eerste lid van dit artikel te handelen namens het centraal bestuur en ter uitvoering van het vijfde lid van dit artikel namens de voorzitter van het centraal bestuur.
een korte omschrijving van de ten laste gelegde overtreding met vermelding van de relevante feiten; naam en adres van de betrokken aangeslotene of aangeslotenen. De schriftelijke verklaring kan vergezeld gaan van een voorstel van of namens het centraal bestuur met betrekking tot de op te leggen tuchtmaatregel.
2. Tezamen met de in het vorige lid bedoelde schriftelijke verklaring dienen alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het tuchtgerecht te worden overgelegd.
3. Afschriften van de schriftelijke verklaring en van alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden gezonden aan de Officier van Justitie bij de rechtbank van het arrondissement waar de overtreding zou zijn gepleegd. Toezending aan de Officier van Justitie geschiedt niet, indien deze heeft laten weten dat daarvan kan worden afgezien.
4. Een zaak wordt niet aanhangig gemaakt dan ingevolge overleg met de Officier van Justitie.
5. Dit overleg wordt door of namens de voorzitter van het centraal bestuur gevoerd.
6. De directeur van het COKZ of diens plaatsvervanger is, voorzover het centraal bestuur niet anders bepaalt, bevoegd ter uitvoering van het eerste lid van dit artikel te handelen namens het centraal bestuur en ter uitvoering van het vijfde lid van dit artikel namens de voorzitter van het centraal bestuur.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0006918
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl