BWBR0008145
Geldig vanaf 01-01-2002
Artikel 11
Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW
1. Indien de schuldenaar heeft nagelaten enig bedrag binnen de gestelde termijn te voldoen, is de resterende vordering volledig opeisbaar. De Bank legt dan het besluit waarbij een boete is opgelegd dan wel een onverschuldigd betaald bedrag is teruggevorderd, ten uitvoer op de wijze zoals bepaald in artikel 17i AOW, 45 Anw dan wel artikel 17g AKW. Deze tenuitvoerlegging vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
2. De tenuitvoerlegging vindt, voor zover mogelijk in verband met de vrijlating van inkomen als bedoeld in de artikelen 17i, achtste lid, AOW, 45, achtste lid, Anw en 17g, achtste lid, AKW, plaats op zodanige wijze dat de vordering uiterlijk wordt voldaan:
a in de gevallen bedoeld in artikel 4, eerste lid: binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aan de schuldenaar bekend is gemaakt;
b in andere gevallen: binnen twaalf maanden nadat de Bank een aanvang heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van het besluit.
3. Indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met toepassing van artikel 17i, tweede of derde lid, AOW, artikel 45, tweede of derde lid, Anw dan wel artikel 17g, tweede of derde lid, AKW, dan wel door middel van beslag op periodieke uitkeringen of loon, worden maandelijks zodanige bedragen gevorderd dat de schuldenaar zijn volledige aflossingscapaciteit benut. De Bank kan in afwijking van het gestelde in de vorige volzin een hoger bedrag vorderen als de schuldenaar zijn verplichting uit hoofde van de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AOW, de artikelen 39, vijfde lid, en 53, zesde lid, Anw, of de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AKW niet nakomt.
4. Indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, merkt de Bank in afwijking van artikel 1, onder g, als vermogensbestanddelen mede aan zaken waarvan de dagwaarde minder dan € 1 135,– bedraagt.
5. Indien de schuldenaar onvoldoende verhaal biedt voor volledige voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank de verdere tenuitvoerlegging van het besluit op totdat de schuldenaar weer verhaal biedt.
6. Artikel 4, vijfde lid, en artikel 5, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
7. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van het bepaalde in dit artikel.
2. De tenuitvoerlegging vindt, voor zover mogelijk in verband met de vrijlating van inkomen als bedoeld in de artikelen 17i, achtste lid, AOW, 45, achtste lid, Anw en 17g, achtste lid, AKW, plaats op zodanige wijze dat de vordering uiterlijk wordt voldaan:
a in de gevallen bedoeld in artikel 4, eerste lid: binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aan de schuldenaar bekend is gemaakt;
b in andere gevallen: binnen twaalf maanden nadat de Bank een aanvang heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van het besluit.
3. Indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met toepassing van artikel 17i, tweede of derde lid, AOW, artikel 45, tweede of derde lid, Anw dan wel artikel 17g, tweede of derde lid, AKW, dan wel door middel van beslag op periodieke uitkeringen of loon, worden maandelijks zodanige bedragen gevorderd dat de schuldenaar zijn volledige aflossingscapaciteit benut. De Bank kan in afwijking van het gestelde in de vorige volzin een hoger bedrag vorderen als de schuldenaar zijn verplichting uit hoofde van de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AOW, de artikelen 39, vijfde lid, en 53, zesde lid, Anw, of de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AKW niet nakomt.
4. Indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, merkt de Bank in afwijking van artikel 1, onder g, als vermogensbestanddelen mede aan zaken waarvan de dagwaarde minder dan € 1 135,– bedraagt.
5. Indien de schuldenaar onvoldoende verhaal biedt voor volledige voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank de verdere tenuitvoerlegging van het besluit op totdat de schuldenaar weer verhaal biedt.
6. Artikel 4, vijfde lid, en artikel 5, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
7. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van het bepaalde in dit artikel.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0008145
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl