BWBR0008145
Geldig vanaf 01-01-2000
Artikel 6
Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW
1. Dit artikel is van toepassing in andere gevallen dan die genoemd in artikel 4, eerste lid en artikel 5, eerste lid.
2. De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat de vordering volledig wordt afgelost binnen uiterlijk zestig maanden nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen.
3. De termijnen worden zodanig vastgesteld dat ten minste de halve en ten hoogste de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt benut.
4. Indien bij betaling conform de volgens het derde lid vastgestelde termijnen de vordering binnen zestig maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voor zover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen zestig maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
5. Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar nog niet volledig heeft voldaan, ziet de Bank af van verdere terugvordering indien de schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald.
6. De in het vijfde lid genoemde termijn is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van de schuldenaar in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan.
7. Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
8. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.
2. De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat de vordering volledig wordt afgelost binnen uiterlijk zestig maanden nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen.
3. De termijnen worden zodanig vastgesteld dat ten minste de halve en ten hoogste de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt benut.
4. Indien bij betaling conform de volgens het derde lid vastgestelde termijnen de vordering binnen zestig maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voor zover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen zestig maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
5. Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar nog niet volledig heeft voldaan, ziet de Bank af van verdere terugvordering indien de schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald.
6. De in het vijfde lid genoemde termijn is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van de schuldenaar in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan.
7. Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
8. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0008145
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl