BWBR0008145
Geldig vanaf 20-03-1999
Artikel 4
Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW
1. Dit artikel is van toepassing op de invordering van boeten.
2. De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
3. Indien bij betaling conform de volgens het tweede lid vastgestelde termijnen de vordering binnen twaalf maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voorzover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
4. Indien de schuldenaar na aanwending van zijn vermogen en zijn volledige aflossingscapaciteit de vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal hebben voldaan, stelt de Bank een groter aantal termijnen vast waarbinnen de vordering moet worden voldaan.
5. Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaren nog niet volledig heeft voldaan, worden verdere termijnen van aflossing zodanig vastgesteld dat de schuldenaar en zijn echtgenoot dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, naast de verhoging als bedoeld in artikel 475d, derde lid, een inkomen ontvangen gelijk aan honderd ten negentigste van de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
7. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.
2. De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
3. Indien bij betaling conform de volgens het tweede lid vastgestelde termijnen de vordering binnen twaalf maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voorzover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
4. Indien de schuldenaar na aanwending van zijn vermogen en zijn volledige aflossingscapaciteit de vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal hebben voldaan, stelt de Bank een groter aantal termijnen vast waarbinnen de vordering moet worden voldaan.
5. Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaren nog niet volledig heeft voldaan, worden verdere termijnen van aflossing zodanig vastgesteld dat de schuldenaar en zijn echtgenoot dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, naast de verhoging als bedoeld in artikel 475d, derde lid, een inkomen ontvangen gelijk aan honderd ten negentigste van de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
7. In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0008145
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl