BWBR0009276
Geldig vanaf 2007-10-18
Artikel 11
Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997
1. De leden worden benoemd, geschorst en ontslagen door organisaties van ondernemers en van werknemers die daartoe, met inachtneming van het bij of krachtens de artikelen 7en 10bepaalde, voor iedere kamer en iedere zittingsperiode afzonderlijk door de SER zijn aangewezen.
2. Voor aanwijzing komen uitsluitend in aanmerking organisaties die naar het oordeel van de SER van voldoende betekenis zijn voor de ondernemers of de werknemers in het gebied van de kamer.
3. Bij de aanwijzing van een organisatie bepaalt de SER het aantal leden dat die organisatie benoemt, alsmede voor welke tak elk te benoemen lid zitting heeft. De SER kan bepalen dat de benoeming van één of meer leden zal geschieden door twee of meer aangewezen organisaties gezamenlijk.
4. Voordat de SER de organisaties aanwijst stelt hij het algemeen bestuur van de betrokken kamer in de gelegenheid van zijn inzicht omtrent de aanwijzing te doen blijken.
5. Onze Minister kan in bijzondere omstandigheden een lid schorsen of ontslaan, gehoord de organisatie die het betreffende lid heeft benoemd.
6. De leden hebben op persoonlijke titel zitting in het algemeen bestuur en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
2. Voor aanwijzing komen uitsluitend in aanmerking organisaties die naar het oordeel van de SER van voldoende betekenis zijn voor de ondernemers of de werknemers in het gebied van de kamer.
3. Bij de aanwijzing van een organisatie bepaalt de SER het aantal leden dat die organisatie benoemt, alsmede voor welke tak elk te benoemen lid zitting heeft. De SER kan bepalen dat de benoeming van één of meer leden zal geschieden door twee of meer aangewezen organisaties gezamenlijk.
4. Voordat de SER de organisaties aanwijst stelt hij het algemeen bestuur van de betrokken kamer in de gelegenheid van zijn inzicht omtrent de aanwijzing te doen blijken.
5. Onze Minister kan in bijzondere omstandigheden een lid schorsen of ontslaan, gehoord de organisatie die het betreffende lid heeft benoemd.
6. De leden hebben op persoonlijke titel zitting in het algemeen bestuur en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.