BWBR0009276
Geldig vanaf 2007-10-18
Artikel 9
Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997
1. Tot lid van het algemeen bestuur van een kamer kunnen alleen worden benoemd degenen, die:
a. nauw betrokken zijn bij een onderneming in het gebied van de kamer;
b. niet in staat van faillissement verkeren of anderszins de beschikking of het beheer over hun goederen verloren hebben;
c. voorafgaand aan de benoeming niet meer dan acht jaren hebben deel genomen aan het bestuur van een kamer;
d. niet reeds, voor dezelfde zittingsperiode, benoemd zijn tot lid van het algemeen bestuur van een andere kamer en
e. niet bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht in de zin van de Kieswet zijn ontzet.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot de benoembaarheid tot lid van het algemeen bestuur.
3. De in het tweede lid bedoelde regeling bevat in ieder geval een benoemingscode, op grond waarvan de benoemingsgerechtigde organisaties hun leden in het algemeen bestuur benoemen.
4. De in het tweede lid bedoelde regeling en iedere wijziging hiervan treden niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
a. nauw betrokken zijn bij een onderneming in het gebied van de kamer;
b. niet in staat van faillissement verkeren of anderszins de beschikking of het beheer over hun goederen verloren hebben;
c. voorafgaand aan de benoeming niet meer dan acht jaren hebben deel genomen aan het bestuur van een kamer;
d. niet reeds, voor dezelfde zittingsperiode, benoemd zijn tot lid van het algemeen bestuur van een andere kamer en
e. niet bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht in de zin van de Kieswet zijn ontzet.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot de benoembaarheid tot lid van het algemeen bestuur.
3. De in het tweede lid bedoelde regeling bevat in ieder geval een benoemingscode, op grond waarvan de benoemingsgerechtigde organisaties hun leden in het algemeen bestuur benoemen.
4. De in het tweede lid bedoelde regeling en iedere wijziging hiervan treden niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.