BWBR0010194
Geldig vanaf 08-06-2006
Artikel 27
Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002
1. Een effecteninstelling sluit met iedere cliënt een schriftelijke overeenkomst waarin ten minste zijn bepaald:
a. de rechten en verplichtingen van de cliënt en de effecteninstelling uit hoofde van de overeenkomst;
b. de naar soort onderscheiden diensten die de effecteninstelling in het kader van de overeenkomst zal verrichten;
c. een specificatie van de eventuele beperkingen met betrekking tot de markten waarop effectentransacties ten behoeve van de cliënt zullen worden afgewikkeld;
d. de naar soort onderscheiden kosten, anders dan de kosten ter zake van een aanbieding van effecten bij uitgifte, die aan de cliënt in rekening worden gebracht alsmede de aan die kosten ten grondslag liggende berekening;
e. de wijze waarop instructies van de cliënt en berichten van de effecteninstelling worden verstrekt en geadministreerd;
f. de wijze waarop gelden of effecten van de cliënt worden verrekend, gedeponeerd en geadministreerd;
g. de wijze waarop over de rekeningen van de cliënt kan worden beschikt;
h. de regelingen inzake de aansprakelijkheid van de effecteninstelling onderscheidenlijk de cliënt uit hoofde van de overeenkomst;
i. een verklaring van de cliënt dat hij heeft kennis genomen van de informatie die de effecteninstelling krachtens artikel 33 van deze regeling aan hem dient te verstrekken en dat hij zich bewust is van de risico's die aan de belegging zijn verbonden;
j. de regeling van toepasselijk recht en de wijze van beslechting van geschillen;
k. de omstandigheden waaronder de overeenkomst tussen de effecteninstelling en de cliënt een einde neemt, de omstandigheden waaronder de overeenkomst kan worden ontbonden en de wijze waarop op of na de datum van beëindiging nog lopende transacties worden afgewikkeld.
2. Onder schriftelijk in het eerste lid wordt mede verstaan langs elektronische weg als bedoeld in artikel 3:15d, derde lid, Burgerlijk Wetboek indien de overeenkomst:
– raadpleegbaar is door partijen;
– de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate is gewaarborgd;
– het moment van totstandkoming van de overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld en
– de identiteit van partijen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.
3. Indien de overeenkomst betrekking heeft op vermogensbeheer is daarin tevens bepaald:
a. de samenstelling van het beheerde vermogen naar effectensoort en de waarde van het te beheren vermogen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst;
b. de doelstellingen van de cliënt ter zake van het vermogensbeheer;
c. een specificatie van de eventuele kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen ten aanzien van de effecten of categorieën van effecten waarin mag worden belegd;
d. de wijze waarop het beheer wordt gevoerd alsmede de betrokkenheid van de cliënt daarbij, daaronder een regeling van de machtiging aan de effecteninstelling;
e. de frequentie van rapportage aan de cliënt.
4. Een effecteninstelling dient voordat zij een effectendienst verricht de identiteit van de betreffende cliënt vast te stellen. Voor zover de verplichting tot vaststellen van de identiteit van een cliënt niet reeds voortvloeit uit de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 of een aan die wet gelijkwaardige regeling, geschieden de identiteitsvaststelling en -vastlegging overeenkomstig de bepalingen bij of krachtens de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993.
a. de rechten en verplichtingen van de cliënt en de effecteninstelling uit hoofde van de overeenkomst;
b. de naar soort onderscheiden diensten die de effecteninstelling in het kader van de overeenkomst zal verrichten;
c. een specificatie van de eventuele beperkingen met betrekking tot de markten waarop effectentransacties ten behoeve van de cliënt zullen worden afgewikkeld;
d. de naar soort onderscheiden kosten, anders dan de kosten ter zake van een aanbieding van effecten bij uitgifte, die aan de cliënt in rekening worden gebracht alsmede de aan die kosten ten grondslag liggende berekening;
e. de wijze waarop instructies van de cliënt en berichten van de effecteninstelling worden verstrekt en geadministreerd;
f. de wijze waarop gelden of effecten van de cliënt worden verrekend, gedeponeerd en geadministreerd;
g. de wijze waarop over de rekeningen van de cliënt kan worden beschikt;
h. de regelingen inzake de aansprakelijkheid van de effecteninstelling onderscheidenlijk de cliënt uit hoofde van de overeenkomst;
i. een verklaring van de cliënt dat hij heeft kennis genomen van de informatie die de effecteninstelling krachtens artikel 33 van deze regeling aan hem dient te verstrekken en dat hij zich bewust is van de risico's die aan de belegging zijn verbonden;
j. de regeling van toepasselijk recht en de wijze van beslechting van geschillen;
k. de omstandigheden waaronder de overeenkomst tussen de effecteninstelling en de cliënt een einde neemt, de omstandigheden waaronder de overeenkomst kan worden ontbonden en de wijze waarop op of na de datum van beëindiging nog lopende transacties worden afgewikkeld.
2. Onder schriftelijk in het eerste lid wordt mede verstaan langs elektronische weg als bedoeld in artikel 3:15d, derde lid, Burgerlijk Wetboek indien de overeenkomst:
– raadpleegbaar is door partijen;
– de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate is gewaarborgd;
– het moment van totstandkoming van de overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld en
– de identiteit van partijen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.
3. Indien de overeenkomst betrekking heeft op vermogensbeheer is daarin tevens bepaald:
a. de samenstelling van het beheerde vermogen naar effectensoort en de waarde van het te beheren vermogen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst;
b. de doelstellingen van de cliënt ter zake van het vermogensbeheer;
c. een specificatie van de eventuele kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen ten aanzien van de effecten of categorieën van effecten waarin mag worden belegd;
d. de wijze waarop het beheer wordt gevoerd alsmede de betrokkenheid van de cliënt daarbij, daaronder een regeling van de machtiging aan de effecteninstelling;
e. de frequentie van rapportage aan de cliënt.
4. Een effecteninstelling dient voordat zij een effectendienst verricht de identiteit van de betreffende cliënt vast te stellen. Voor zover de verplichting tot vaststellen van de identiteit van een cliënt niet reeds voortvloeit uit de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 of een aan die wet gelijkwaardige regeling, geschieden de identiteitsvaststelling en -vastlegging overeenkomstig de bepalingen bij of krachtens de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993.
- Citeren als
- Art. 27
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0010194
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl