BWBR0010194
Geldig vanaf 08-06-2006
Artikel 42a
Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002
1. Een effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, stelt beleid vast ter zake van integriteitsgevoelige functies als bedoeld in artikel 24c, onder b, van het besluit.
2. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, stelt beleid vast ter zake van de beoordeling van de betrouwbaarheid van een personeelslid in een integriteitsgevoelige functie.
3. Een effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, draagt zorg voor de uitwerking en implementatie van het beleid in organisatorische en administratieve procedures en maatregelen. Deze procedures en maatregelen zijn geïntegreerd in de bedrijfsprocessen en dragen bij aan een integriteitsbewuste bedrijfscultuur.
4. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, hanteert organisatorische en administratieve procedures en maatregelen om een functie te kwalificeren als een functie die een wezenlijk risico bevat voor de integere bedrijfsvoering van de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling.
5. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, beschikt over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen om de betrouwbaarheid te beoordelen van een personeelslid dat de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, voornemens is te benoemen in een integriteitsgevoelige functie.
6. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, voert een zodanige administratie dat uit het dossier van een personeelslid dat is benoemd in een integriteitsgevoelige functie blijkt dat is voldaan aan het bepaalde in het zesde lid, onder a, b en c.
7. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, is verantwoordelijk voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degene die zich anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst jegens de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, verbindt werkzaamheden in een integriteitsgevoelige functie te verrichten.
8. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, kan de beoordeling van de betrouwbaarheid overlaten aan de werkgever van de betrokkene als bedoeld in het negende lid onder de voorwaarde dat:
a. de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, de administratieve en organisatorische procedures en maatregelen van de betrokken werkgever kent en heeft vastgesteld dat deze voldoen aan de eigen administratieve en organisatorische procedures en maatregelen;
b. de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, zich door middel van contractuele voorwaarden het recht voorbehoudt dat door of namens de effecteninstelling een onderzoek wordt ingesteld naar de mate van naleving van de gedelegeerde werkzaamheden.
9. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, controleert onder alle omstandigheden zelf de identiteit van betrokkene als bedoeld in het negende lid.
10. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, waaraan over een betrokkene inlichtingen als bedoeld in het zevende lid, onder a., worden gevraagd ten behoeve van een andere financiële instelling, dient:
a. schriftelijk te verklaren dat zij geen aanleiding heeft om aan de betrouwbaarheid van betrokkene te twijfelen dan wel, indien daartoe aanleiding bestaat,
b. schriftelijk inlichtingen te verstrekken en wel zodanig dat de verzoekende financiële instelling zich voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de sollicitant een juist en zo volledig mogelijk beeld kan vormen omtrent betrokkene.
11. Onverminderd het bepaalde in het twaalfde lid onthoudt een effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, zich van het doen van uitspraken of het afgeven van verklaringen aangaande de betrouwbaarheid van een (voormalig) personeelslid indien zij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daarmee een onjuist beeld van betrokkene wordt gegeven.
2. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, stelt beleid vast ter zake van de beoordeling van de betrouwbaarheid van een personeelslid in een integriteitsgevoelige functie.
3. Een effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, draagt zorg voor de uitwerking en implementatie van het beleid in organisatorische en administratieve procedures en maatregelen. Deze procedures en maatregelen zijn geïntegreerd in de bedrijfsprocessen en dragen bij aan een integriteitsbewuste bedrijfscultuur.
4. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, hanteert organisatorische en administratieve procedures en maatregelen om een functie te kwalificeren als een functie die een wezenlijk risico bevat voor de integere bedrijfsvoering van de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling.
5. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, beschikt over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen om de betrouwbaarheid te beoordelen van een personeelslid dat de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, voornemens is te benoemen in een integriteitsgevoelige functie.
6. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, voert een zodanige administratie dat uit het dossier van een personeelslid dat is benoemd in een integriteitsgevoelige functie blijkt dat is voldaan aan het bepaalde in het zesde lid, onder a, b en c.
7. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, is verantwoordelijk voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degene die zich anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst jegens de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, verbindt werkzaamheden in een integriteitsgevoelige functie te verrichten.
8. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, kan de beoordeling van de betrouwbaarheid overlaten aan de werkgever van de betrokkene als bedoeld in het negende lid onder de voorwaarde dat:
a. de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, de administratieve en organisatorische procedures en maatregelen van de betrokken werkgever kent en heeft vastgesteld dat deze voldoen aan de eigen administratieve en organisatorische procedures en maatregelen;
b. de effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, zich door middel van contractuele voorwaarden het recht voorbehoudt dat door of namens de effecteninstelling een onderzoek wordt ingesteld naar de mate van naleving van de gedelegeerde werkzaamheden.
9. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, controleert onder alle omstandigheden zelf de identiteit van betrokkene als bedoeld in het negende lid.
10. De effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, waaraan over een betrokkene inlichtingen als bedoeld in het zevende lid, onder a., worden gevraagd ten behoeve van een andere financiële instelling, dient:
a. schriftelijk te verklaren dat zij geen aanleiding heeft om aan de betrouwbaarheid van betrokkene te twijfelen dan wel, indien daartoe aanleiding bestaat,
b. schriftelijk inlichtingen te verstrekken en wel zodanig dat de verzoekende financiële instelling zich voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de sollicitant een juist en zo volledig mogelijk beeld kan vormen omtrent betrokkene.
11. Onverminderd het bepaalde in het twaalfde lid onthoudt een effecteninstelling, niet zijnde een kredietinstelling, zich van het doen van uitspraken of het afgeven van verklaringen aangaande de betrouwbaarheid van een (voormalig) personeelslid indien zij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daarmee een onjuist beeld van betrokkene wordt gegeven.
- Citeren als
- Art. 42a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0010194
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl