BWBR0011453
Geldig vanaf 2020-08-01
Artikel 12.30
Wet studiefinanciering 2000
1. In dit artikel wordt onder tegemoetkoming begrepen: een tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin een ho-student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijsgeen aanspraak kon maken op een basisbeurs.
2. Voor een tegemoetkoming komt in aanmerking, degene die:
a. in de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2023 ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak kon maken op een basisbeurs;
b. gedurende de periode, bedoeld in onderdeel a, ten minste twaalf maanden aanspraak maakte op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, niet zijnde het collegegeldkrediet; en
c. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding als bedoeld in artikel 5.7 heeft afgerond.
3. De tegemoetkoming bedraagt € 29,92 per 1 januari 2025: € 34,17per maand voor iedere maand binnen de periode, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, dat de rechthebbende op een tegemoetkoming aanspraak maakte op studiefinanciering, niet zijnde het collegegeldkrediet, tot een maximum van de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, en indien van toepassing, vermeerderd met de periode, genoemd in artikel 5.2b, eerste of tweede lid.
4. In afwijking van het derde lid wordt, indien van toepassing, voor de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, gelezen: de duur, genoemd in artikel 5.7, eerste of derde lid.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval regels gesteld over:
a. de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming;
b. in welke gevallen de tegemoetkoming op aanvraag dan wel ambtshalve wordt toegekend.
6. Onze Minister past het bedrag, genoemd in het derde lid, overeenkomstig artikel 11.1aan.
7. Artikel 1.7is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor student wordt gelezen: de rechthebbende op een tegemoetkoming.
2. Voor een tegemoetkoming komt in aanmerking, degene die:
a. in de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2023 ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak kon maken op een basisbeurs;
b. gedurende de periode, bedoeld in onderdeel a, ten minste twaalf maanden aanspraak maakte op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, niet zijnde het collegegeldkrediet; en
c. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding als bedoeld in artikel 5.7 heeft afgerond.
3. De tegemoetkoming bedraagt € 29,92 per 1 januari 2025: € 34,17per maand voor iedere maand binnen de periode, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, dat de rechthebbende op een tegemoetkoming aanspraak maakte op studiefinanciering, niet zijnde het collegegeldkrediet, tot een maximum van de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, en indien van toepassing, vermeerderd met de periode, genoemd in artikel 5.2b, eerste of tweede lid.
4. In afwijking van het derde lid wordt, indien van toepassing, voor de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, gelezen: de duur, genoemd in artikel 5.7, eerste of derde lid.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval regels gesteld over:
a. de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming;
b. in welke gevallen de tegemoetkoming op aanvraag dan wel ambtshalve wordt toegekend.
6. Onze Minister past het bedrag, genoemd in het derde lid, overeenkomstig artikel 11.1aan.
7. Artikel 1.7is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor student wordt gelezen: de rechthebbende op een tegemoetkoming.