BWBR0016247
Geldig vanaf 20-05-2004
Artikel 29
Solvabiliteitsregels securitisatie
1. Een investeerder brengt van een verstrekte eerste verlies kredietverbetering de grootst mogelijke positieomvang ervan gedurende de resterende looptijd van de securitisatie in mindering op de som van het tier 1 en tier 2 toetsingsvermogen.
2. Een investeerder die onderpand of protectie verstrekt aan een eerste verlies kredietverbetering brengt de grootst mogelijke omvang van het onderpand of protectie gedurende de resterende looptijd van de securitisatie in mindering op de som van het tier 1 en tier 2 toetsingsvermogen.
3. Een investeerder mag een 100% risicoweging toepassen op de grootst mogelijke positieomvang gedurende de resterende looptijd van de securitisatie van een verstrekte tweede verlies kredietverbetering indien aan voorwaarden van artikel 26 is voldaan en de kredietverbetering een externe investment grade kredietbeoordeling heeft.
4. Een investeerder brengt van een verstrekte tweede verlies kredietverbetering de grootst mogelijke positieomvang gedurende de resterende looptijd van de securitisatie in mindering op de som van het tier 1 en tier 2 toetsingsvermogen indien niet aan de in lid 3 vermelde voorwaarden is voldaan.
5. Een investeerder weegt een securitisatiepositie, niet zijnde een eerste verlies of tweede verlies kredietverbetering, met 100% tenzij op grond van lid 6 een lager risicogewicht mogelijk is.
6. Een investeerder mag de minst achtergestelde securitisatiepositie wegen met de weging van de gesecuritiseerde posities indien de securitisatiepositie de hoogst mogelijk externe kredietbeoordeling heeft (AAA of equivalent) en indien aan de voorwaarden in artikel 30 is voldaan. Indien de gesecuritiseerde posities verschillende risicowegingen hebben, dan is de risicoweging van de positie met de hoogste risicoweging in de pool van toepassing. Indien de gesecuritiseerde posities bestaan uit woninghypotheken, die een verschillende risicoweging kunnen hebben, dan mag in plaats van de hoogste risicoweging in de pool een uniforme risicoweging van 50% worden toegepast indien op het moment van securitisatie, na toepassing van de 50% risicoweging, de totale solvabiliteitseis na securitisatie ten minste gelijk is aan de totale solvabiliteitseis voor securitisatie. Bij het voorgaande moet worden verondersteld, zowel voor als na securitisatie, dat alle posities worden gehouden door onder toezicht staande kredietinstellingen.’.
7. Een investeerder converteert een buitenbalans securitisatiepositie met een factor 1,0. Het resulterende kredietequivalent krijgt een risicoweging zoals bepaald in lid één tot en met zes van dit artikel.
2. Een investeerder die onderpand of protectie verstrekt aan een eerste verlies kredietverbetering brengt de grootst mogelijke omvang van het onderpand of protectie gedurende de resterende looptijd van de securitisatie in mindering op de som van het tier 1 en tier 2 toetsingsvermogen.
3. Een investeerder mag een 100% risicoweging toepassen op de grootst mogelijke positieomvang gedurende de resterende looptijd van de securitisatie van een verstrekte tweede verlies kredietverbetering indien aan voorwaarden van artikel 26 is voldaan en de kredietverbetering een externe investment grade kredietbeoordeling heeft.
4. Een investeerder brengt van een verstrekte tweede verlies kredietverbetering de grootst mogelijke positieomvang gedurende de resterende looptijd van de securitisatie in mindering op de som van het tier 1 en tier 2 toetsingsvermogen indien niet aan de in lid 3 vermelde voorwaarden is voldaan.
5. Een investeerder weegt een securitisatiepositie, niet zijnde een eerste verlies of tweede verlies kredietverbetering, met 100% tenzij op grond van lid 6 een lager risicogewicht mogelijk is.
6. Een investeerder mag de minst achtergestelde securitisatiepositie wegen met de weging van de gesecuritiseerde posities indien de securitisatiepositie de hoogst mogelijk externe kredietbeoordeling heeft (AAA of equivalent) en indien aan de voorwaarden in artikel 30 is voldaan. Indien de gesecuritiseerde posities verschillende risicowegingen hebben, dan is de risicoweging van de positie met de hoogste risicoweging in de pool van toepassing. Indien de gesecuritiseerde posities bestaan uit woninghypotheken, die een verschillende risicoweging kunnen hebben, dan mag in plaats van de hoogste risicoweging in de pool een uniforme risicoweging van 50% worden toegepast indien op het moment van securitisatie, na toepassing van de 50% risicoweging, de totale solvabiliteitseis na securitisatie ten minste gelijk is aan de totale solvabiliteitseis voor securitisatie. Bij het voorgaande moet worden verondersteld, zowel voor als na securitisatie, dat alle posities worden gehouden door onder toezicht staande kredietinstellingen.’.
7. Een investeerder converteert een buitenbalans securitisatiepositie met een factor 1,0. Het resulterende kredietequivalent krijgt een risicoweging zoals bepaald in lid één tot en met zes van dit artikel.
- Citeren als
- Art. 29
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0016247
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl