BWBR0019551
Geldig vanaf 13-07-2006
Artikel 7
Nadere Regeling financiële dienstverlening
1. Een financiële bijsluiter is voor zover van toepassing voor de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten gebaseerd op de volgende contractuele looptijden:
a. de vaste looptijd indien het product een vaste looptijd kent die niet afwijkt voor verschillende consumenten of
b. indien het complex product geen vaste looptijd kent voor: i. een schuldproduct: een looptijd van 30 jaren voor zover het product een onderdeel hypothecair krediet kent, een looptijd van 15 jaren voor zover het een krediet zonder hypothecaire zekerheid betreft of een looptijd te bepalen door de Autoriteit Financiële Markten voor zover het product een onderdeel krediet kent waarmee de consument andere dan financiële producten of effecten aanschaft;
ii. een opbouwproduct: een looptijd van 20 jaren of
iii. een recht van deelneming of een spaarbeleggingsproduct zonder verzekering en zonder contractuele looptijd: een looptijd van 1 jaar.
i. een schuldproduct: een looptijd van 30 jaren voor zover het product een onderdeel hypothecair krediet kent, een looptijd van 15 jaren voor zover het een krediet zonder hypothecaire zekerheid betreft of een looptijd te bepalen door de Autoriteit Financiële Markten voor zover het product een onderdeel krediet kent waarmee de consument andere dan financiële producten of effecten aanschaft;
ii. een opbouwproduct: een looptijd van 20 jaren of
iii. een recht van deelneming of een spaarbeleggingsproduct zonder verzekering en zonder contractuele looptijd: een looptijd van 1 jaar.
2. Indien het complex product een onderdeel verzekeren kent, is de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten, in aanvulling op de contractuele looptijd bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op de volgende parameters:
a. één niet-rokende mannelijke verzekerde met een leeftijd van 35 jaren en voor zover het een direct ingaande lijfrente betreft van 60 jaren;
b. in geval van een spaarhypotheek een jaarlijkse netto renderende spaarpremie van € 3.428,87;
c. in geval van overige variabelen die van invloed zijn op de hoogte van de premie of kosten de meest representatieve keuze uit variabelen dan wel die variabelen die leiden tot de hoogst mogelijke premie of kosten.
3. Een opbouwproduct of een recht van deelneming wordt voor zover van toepassing, in aanvulling op de contractuele looptijd bedoeld in het eerste lid, voor de berekening van het financiële risico gebaseerd op een tussenliggende looptijd van:
a. 1 jaar indien de contractuele looptijd langer is dan 1 en korter dan of gelijk is aan 10 jaren;
b. 3 jaren indien de contractuele looptijd langer is dan 10 en korter dan of gelijk is aan 20 jaren of
c. 5 jaren indien contractuele looptijd langer is dan 20 jaren.
4. Een opbouwproduct is, in aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid, voor de berekening van de risico-indicator, de kosten en opbrengsten gebaseerd voor zover van toepassing op de volgende parameters:
a. een eenmalige inleg van € 1.000;
b. een maandelijkse inleg van € 100 indien de periodieke betalingen van de consument aan de aanbieder zijn overeengekomen;
c. een eenmalige premiestorting van € 5.000 in geval van een niet-direct uitkerende lijfrenteverzekering;
d. een storting van € 20.000 in geval van een direct ingaande lijfrenteverzekering op beleggingsbasis en een onttrekking waarvan de hoogte wordt bepaald door het te hanteren rendement en een periode van onttrekking van 20 jaar;
e. een storting van € 20.000 in geval van een traditionele direct ingaande lijfrenteverzekering en een onttrekking waarvan de hoogte wordt bepaald door een levenslange uitbetaling voor verzekerde vanaf 60 jaren en een levenslange nabestaande-uitbetaling van 70% van vorendebedoelde uitbetaling uitgaande van een nabestaande vrouw van 60 jaren;
f. een verzekerd bedrag uitgekeerd uit hoofde van een gemengde verzekering met overlijdensrisicodekking of een overlijdensrisicoverzekering ter hoogte van de totale inleg over de gehele contractuele looptijd of
g. voor zover het een levensverzekering met winstdeling betreft wordt voor de berekening van de guise uitgegaan van de laagst mogelijke winstdeling.
5. Een schuldproduct is, in aanvulling op het bepaalde in het eerste en het tweede lid, voor de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten gebaseerd op de volgende parameters:
a. in geval van een schuldproduct, niet zijnde een overwaardeconstructie: een hypothecair krediet van € 200.000 of een door de Autoriteit Financiële Markten te bepalen omvang van het krediet in geval van een niet-hypothecair krediet;
b. in geval van een overwaardeconstructie: een hypothecair krediet van € 225.000, waarvan € 25.000 wordt gestort in een beleggingsdepot en een jaarlijkse onttrekking uit het depot van € 1.630;
c. een inleg gebaseerd op de gehanteerde rekenrendementen en een aflossingsdoel dat gelijk is aan het krediet;
d. een verzekerd bedrag uitgekeerd uit hoofde van een gemengde verzekering met een overlijdensrisicodekking waarvan de omvang gelijk is aan het krediet of een overlijdensrisicoverzekering waarvan de omvang gelijk is aan het krediet;
e. in geval van een hypothecair krediet af te lossen door middel van sparen en beleggen een verdeling van de helft aan spaar- en de andere helft aan beleggingsopbrengsten of
f. een krediet van € 15.000 in geval het complex product bestaat uit een combinatie van een krediet zonder een hypothecaire zekerheid en een levensverzekering, die dient ter aflossing van voornoemd krediet.
6. Een complex product is, in aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid, voor de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten gebaseerd op een beleggingsklasse, met inachtneming van bijlage 5, die overeenkomt met:
a. hetgeen inherent is aan het product;
b. categorie 4 indien de consument de beleggingen kan kiezen, een mixfonds tot de keuzemogelijkheden behoort en mixfonds niet de minst risicovolle keuze is;
c. categorie 5 indien de consument de beleggingen kan kiezen, het bepaalde onder b niet van toepassing is, en categorie 5 tot de keuzemogelijkheden behoort;
d. categorie 6 indien a, b, en c niet van toepassing zijn.
7. Indien de aanbieder van het complex product transactiekosten berekent, waarvan de hoogte afhankelijk is van te maken keuzes van de consument, wordt voor de berekening van deze kosten uitgegaan van de meest representatieve keuzes.
a. de vaste looptijd indien het product een vaste looptijd kent die niet afwijkt voor verschillende consumenten of
b. indien het complex product geen vaste looptijd kent voor: i. een schuldproduct: een looptijd van 30 jaren voor zover het product een onderdeel hypothecair krediet kent, een looptijd van 15 jaren voor zover het een krediet zonder hypothecaire zekerheid betreft of een looptijd te bepalen door de Autoriteit Financiële Markten voor zover het product een onderdeel krediet kent waarmee de consument andere dan financiële producten of effecten aanschaft;
ii. een opbouwproduct: een looptijd van 20 jaren of
iii. een recht van deelneming of een spaarbeleggingsproduct zonder verzekering en zonder contractuele looptijd: een looptijd van 1 jaar.
i. een schuldproduct: een looptijd van 30 jaren voor zover het product een onderdeel hypothecair krediet kent, een looptijd van 15 jaren voor zover het een krediet zonder hypothecaire zekerheid betreft of een looptijd te bepalen door de Autoriteit Financiële Markten voor zover het product een onderdeel krediet kent waarmee de consument andere dan financiële producten of effecten aanschaft;
ii. een opbouwproduct: een looptijd van 20 jaren of
iii. een recht van deelneming of een spaarbeleggingsproduct zonder verzekering en zonder contractuele looptijd: een looptijd van 1 jaar.
2. Indien het complex product een onderdeel verzekeren kent, is de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten, in aanvulling op de contractuele looptijd bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op de volgende parameters:
a. één niet-rokende mannelijke verzekerde met een leeftijd van 35 jaren en voor zover het een direct ingaande lijfrente betreft van 60 jaren;
b. in geval van een spaarhypotheek een jaarlijkse netto renderende spaarpremie van € 3.428,87;
c. in geval van overige variabelen die van invloed zijn op de hoogte van de premie of kosten de meest representatieve keuze uit variabelen dan wel die variabelen die leiden tot de hoogst mogelijke premie of kosten.
3. Een opbouwproduct of een recht van deelneming wordt voor zover van toepassing, in aanvulling op de contractuele looptijd bedoeld in het eerste lid, voor de berekening van het financiële risico gebaseerd op een tussenliggende looptijd van:
a. 1 jaar indien de contractuele looptijd langer is dan 1 en korter dan of gelijk is aan 10 jaren;
b. 3 jaren indien de contractuele looptijd langer is dan 10 en korter dan of gelijk is aan 20 jaren of
c. 5 jaren indien contractuele looptijd langer is dan 20 jaren.
4. Een opbouwproduct is, in aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid, voor de berekening van de risico-indicator, de kosten en opbrengsten gebaseerd voor zover van toepassing op de volgende parameters:
a. een eenmalige inleg van € 1.000;
b. een maandelijkse inleg van € 100 indien de periodieke betalingen van de consument aan de aanbieder zijn overeengekomen;
c. een eenmalige premiestorting van € 5.000 in geval van een niet-direct uitkerende lijfrenteverzekering;
d. een storting van € 20.000 in geval van een direct ingaande lijfrenteverzekering op beleggingsbasis en een onttrekking waarvan de hoogte wordt bepaald door het te hanteren rendement en een periode van onttrekking van 20 jaar;
e. een storting van € 20.000 in geval van een traditionele direct ingaande lijfrenteverzekering en een onttrekking waarvan de hoogte wordt bepaald door een levenslange uitbetaling voor verzekerde vanaf 60 jaren en een levenslange nabestaande-uitbetaling van 70% van vorendebedoelde uitbetaling uitgaande van een nabestaande vrouw van 60 jaren;
f. een verzekerd bedrag uitgekeerd uit hoofde van een gemengde verzekering met overlijdensrisicodekking of een overlijdensrisicoverzekering ter hoogte van de totale inleg over de gehele contractuele looptijd of
g. voor zover het een levensverzekering met winstdeling betreft wordt voor de berekening van de guise uitgegaan van de laagst mogelijke winstdeling.
5. Een schuldproduct is, in aanvulling op het bepaalde in het eerste en het tweede lid, voor de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten gebaseerd op de volgende parameters:
a. in geval van een schuldproduct, niet zijnde een overwaardeconstructie: een hypothecair krediet van € 200.000 of een door de Autoriteit Financiële Markten te bepalen omvang van het krediet in geval van een niet-hypothecair krediet;
b. in geval van een overwaardeconstructie: een hypothecair krediet van € 225.000, waarvan € 25.000 wordt gestort in een beleggingsdepot en een jaarlijkse onttrekking uit het depot van € 1.630;
c. een inleg gebaseerd op de gehanteerde rekenrendementen en een aflossingsdoel dat gelijk is aan het krediet;
d. een verzekerd bedrag uitgekeerd uit hoofde van een gemengde verzekering met een overlijdensrisicodekking waarvan de omvang gelijk is aan het krediet of een overlijdensrisicoverzekering waarvan de omvang gelijk is aan het krediet;
e. in geval van een hypothecair krediet af te lossen door middel van sparen en beleggen een verdeling van de helft aan spaar- en de andere helft aan beleggingsopbrengsten of
f. een krediet van € 15.000 in geval het complex product bestaat uit een combinatie van een krediet zonder een hypothecaire zekerheid en een levensverzekering, die dient ter aflossing van voornoemd krediet.
6. Een complex product is, in aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid, voor de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten gebaseerd op een beleggingsklasse, met inachtneming van bijlage 5, die overeenkomt met:
a. hetgeen inherent is aan het product;
b. categorie 4 indien de consument de beleggingen kan kiezen, een mixfonds tot de keuzemogelijkheden behoort en mixfonds niet de minst risicovolle keuze is;
c. categorie 5 indien de consument de beleggingen kan kiezen, het bepaalde onder b niet van toepassing is, en categorie 5 tot de keuzemogelijkheden behoort;
d. categorie 6 indien a, b, en c niet van toepassing zijn.
7. Indien de aanbieder van het complex product transactiekosten berekent, waarvan de hoogte afhankelijk is van te maken keuzes van de consument, wordt voor de berekening van deze kosten uitgegaan van de meest representatieve keuzes.
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0019551
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl