BWBR0020368
Geldig vanaf 2015-11-11
Artikel 1:126
Wet op het financieel toezicht
1. De bevoegdheden, bedoeld in artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekgelden, voor zover niet reeds op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekvan toepassing, tevens voor:
a. financiële ondernemingen met zetel in Nederland;
b. dochterondernemingen als bedoeld in artikel 1:113;
c. de tot een groep waarop artikel 1:114, eerste lid, van toepassing is behorende rechtspersonen en vennootschappen.
2. In aanvulling op artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekzijn de in dat artikel bedoelde bevoegdheden van overeenkomstige toepassing op alle natuurlijke personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van:
a. financiële ondernemingen met zetel in Nederland;
b. dochterondernemingen als bedoeld in artikel 1:113;
c. tot een groep waarop artikel 1:114, eerste lid, van toepassing is behorende rechtspersonen en vennootschappen.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden komen, voor zover door artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekniet in een bevoegdheidstoedeling is voorzien, toe aan het orgaan dat of degene die binnen een in het eerste lid bedoelde onderneming, rechtspersoon of vennootschap de beloning vaststelt.
4. De toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 135, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, mag er niet toe leiden dat de bonus van een persoon als bedoeld in artikel 1:126, tweede lid, opwaarts wordt aangepast.
a. financiële ondernemingen met zetel in Nederland;
b. dochterondernemingen als bedoeld in artikel 1:113;
c. de tot een groep waarop artikel 1:114, eerste lid, van toepassing is behorende rechtspersonen en vennootschappen.
2. In aanvulling op artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekzijn de in dat artikel bedoelde bevoegdheden van overeenkomstige toepassing op alle natuurlijke personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van:
a. financiële ondernemingen met zetel in Nederland;
b. dochterondernemingen als bedoeld in artikel 1:113;
c. tot een groep waarop artikel 1:114, eerste lid, van toepassing is behorende rechtspersonen en vennootschappen.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden komen, voor zover door artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekniet in een bevoegdheidstoedeling is voorzien, toe aan het orgaan dat of degene die binnen een in het eerste lid bedoelde onderneming, rechtspersoon of vennootschap de beloning vaststelt.
4. De toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 135, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, mag er niet toe leiden dat de bonus van een persoon als bedoeld in artikel 1:126, tweede lid, opwaarts wordt aangepast.