BWBR0023085
Geldig vanaf 2012-03-02
Artikel 3.2.2
Regeling bodemkwaliteit
1. De bepaling of een bouwstof vormgegeven is, vindt plaats door de korrelverdeling te bepalen met behulp van een zeefproef indien het een granulaire bouwstof betreft met een opbouw in korrelverdeling. Hierbij worden aselect over de hele partij zes monsters genomen uit een statische partij of drie monsters uit een stroom.
2. Voor elk monster wordt één greep genomen volgens hoofdstuk 4.5 van NEN-EN 13383-2.
3. De monsters zijn minimaal zo groot dat de getalswaarde van de massa in kg ten minste tweemaal de getalswaarde bedraagt van de d95 in mm. Hierbij is de d95 gelijk aan de maat van de zeef, waardoor ten minste 95% van de massa van een monster valt.
4. De korrelverdeling van de monsters wordt bepaald volgens hoofdstuk 5 van NEN-EN 13383-2.
5. Indien de korrelverdeling voldoet aan het gestelde in bijlage F, wordt de bouwstof aangemerkt als bouwstof met een volume per kleinste eenheid van 50 cm 3.
2. Voor elk monster wordt één greep genomen volgens hoofdstuk 4.5 van NEN-EN 13383-2.
3. De monsters zijn minimaal zo groot dat de getalswaarde van de massa in kg ten minste tweemaal de getalswaarde bedraagt van de d95 in mm. Hierbij is de d95 gelijk aan de maat van de zeef, waardoor ten minste 95% van de massa van een monster valt.
4. De korrelverdeling van de monsters wordt bepaald volgens hoofdstuk 5 van NEN-EN 13383-2.
5. Indien de korrelverdeling voldoet aan het gestelde in bijlage F, wordt de bouwstof aangemerkt als bouwstof met een volume per kleinste eenheid van 50 cm 3.