1. De ontvanger van boerderijmelk zorgt ervoor dat de monsters boerderijmelk, nadat ze zijn genomen, direct worden gekoeld en uiterlijk binnen één uur een temperatuur hebben bereikt van ten minste 0,0°C en ten hoogste 4,0°C.
2. De monsters boerderijmelk worden bewaard bij een temperatuur van ten minste 0,0°C en ten hoogste 4,0°C, tot het moment waarop zij in onderzoek worden genomen.
Onder 'het in onderzoek nemen' wordt in deze verordening verstaan: het moment van registratie van ontvangst van de monsters boerderijmelk door een melkcontrolestation.
3. Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor het onderzoek op kiemgetal, worden bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 4,0°C en binnen 36 uur na monsterneming op kiemgetal in onderzoek genomen.
4. Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor onderzoek op melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen worden, in afwijking van lid 1 en 2, bewaard bij ten hoogste 8,0°C en moeten binnen 96 uur na monsterneming in onderzoek zijn genomen. Voornoemde temperatuurgrens van 8,0°C mag gedurende een periode van maximaal 24 uur tot ten hoogste 20°C worden overschreden.
5. Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor onderzoeken in het kader van de bepaling van de kwaliteit, anders dan genoemd onder lid 3 en 4, worden, in afwijking van lid 1 en 2:
a. bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 8,0°C en binnen 36 uur na monsterneming in onderzoek genomen of;
b. bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 4,0°C en binnen 96 uur na monsterneming in onderzoek genomen.
6. Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor de bepaling van de samenstelling worden, in afwijking van lid 1 en 2, bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 8,0°C en binnen 96 uur in onderzoek genomen.
7. De monsters worden zo snel mogelijk nadat zij zijn genomen geplaatst in een speciaal daarvoor bestemde, niet voor onbevoegden toegankelijke, schone en gekoelde ruimte.
8. Indien voor de temperatuurcontrole een adequaat systeem met automatische meting en registratie wordt toegepast, worden de in de leden 1 tot en met 6 bedoelde bepalingen betreffende de bewaartemperaturen geacht te zijn nageleefd, indien het voortschrijdend gemiddelde over elke aaneengesloten periode van twee uur, met ten minste vier metingen en registraties per uur, aan de temperatuurcriteria voldoet.
9. Teneinde de bovengenoemde bewaarcondities van de monsters in acht te nemen, bepalen het melkcontrolestation en de ontvanger van boerderijmelk in onderling overleg de tijdstippen waarop de genomen monsters door het melkcontrolestation worden opgehaald respectievelijk in onderzoek worden genomen, met dien verstande dat de monsters zo spoedig mogelijk na aankomst bij de ontvanger van boerderijmelk naar het melkcontrolestation worden vervoerd.