BWBR0035248
Geldig vanaf 2024-03-06
Artikel 8.5
Regeling houders van dieren
1. Het bewijs van inenting, bedoeld in artikel 3.15, onderdeel b, van het besluit, is een door een dierenarts opgemaakt en schriftelijk afgegeven bewijs.
2. Het is het eerste lid bedoelde bewijs heeft betrekking op de inentingen die overeenkomstig de artikelen 8.3en 8.4hebben plaatsgevonden en bevat de volgende gegevens:
– naam en praktijkadres van de dierenarts;
– de inentingsdatum, het herhalingsinterval en voor zover dat van toepassing is de hiervan gemotiveerde afwijkingen;
– geslacht van het dier;
– kleur van het dier;
– voor zover bekend, ras van het dier;
– voor zover bekend, geboortedatum van het dier en
– indien aanwezig, het identificatienummer van de chip of de cijfer- en lettercode van de tatoeage.
3. Met het in het eerste lid bedoelde bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een bewijs van inenting dat ingevolge het Honden- en kattenbesluit 1999voor desbetreffende hond of kat is afgegeven.
2. Het is het eerste lid bedoelde bewijs heeft betrekking op de inentingen die overeenkomstig de artikelen 8.3en 8.4hebben plaatsgevonden en bevat de volgende gegevens:
– naam en praktijkadres van de dierenarts;
– de inentingsdatum, het herhalingsinterval en voor zover dat van toepassing is de hiervan gemotiveerde afwijkingen;
– geslacht van het dier;
– kleur van het dier;
– voor zover bekend, ras van het dier;
– voor zover bekend, geboortedatum van het dier en
– indien aanwezig, het identificatienummer van de chip of de cijfer- en lettercode van de tatoeage.
3. Met het in het eerste lid bedoelde bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een bewijs van inenting dat ingevolge het Honden- en kattenbesluit 1999voor desbetreffende hond of kat is afgegeven.