BWBR0035399
Geldig vanaf 07-07-2014
Artikel 9
De subsidieregeling regionale transfercentra PO
1. Na afloop van de consolidatiefase, dienen de samenwerkingspartners bij het bestuur een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. De bevoegdheid tot subsidievaststelling ligt bij het bestuur, maar zal feitelijk worden uitgeoefend door de stuurgroep op basis van het in de considerans en in artikel 6 lid 8 bedoelde mandaat.
2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling tonen de samenwerkingspartners aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de bij de betreffende fase aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling leggen de samenwerkingspartners rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.
3. Het bestuur stelt de samenwerkingspartners alsnog in de gelegenheid te voldoen aan de verplichting als bedoeld in lid 2, indien en voor zover daaraan niet (volledig) is voldaan op 1 april 2016. Het bestuur stelt de samenwerkingspartners hiervan schriftelijk in kennis onder vermelding van de termijn waarbinnen alsnog aan de verplichting(en) kan worden voldaan. Activiteiten waarvan geen rekening en verantwoording heeft plaatsgevonden, blijven buiten beschouwing bij de vaststelling van de subsidie.
4. Het bestuur stelt de krachtens artikel 6 van de subsidieregeling verleende subsidies vast, rekening houdende met de verdeling als bedoeld in artikel 2.
5. Het bestuur stelt de subsidievaststelling als bedoeld in lid 1 in beginsel binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag vast, maar in ieder geval niet eerder dan nadat in vervolg op de beschikking de subsidievaststelling door dan wel namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het sectorplan PO heeft plaatsgevonden.
6. In het geval de Minister de subsidie lager vaststelt dan is verleend in de beschikking, is het bestuur bevoegd bij de vaststelling een beroep te doen op de opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 6 lid 9. Verlaagde vaststelling van de subsidie door de Minister zal bij toepassing van die voorwaarde leiden tot evenredige verlaging van de subsidie van het bestuur.
2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling tonen de samenwerkingspartners aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de bij de betreffende fase aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling leggen de samenwerkingspartners rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.
3. Het bestuur stelt de samenwerkingspartners alsnog in de gelegenheid te voldoen aan de verplichting als bedoeld in lid 2, indien en voor zover daaraan niet (volledig) is voldaan op 1 april 2016. Het bestuur stelt de samenwerkingspartners hiervan schriftelijk in kennis onder vermelding van de termijn waarbinnen alsnog aan de verplichting(en) kan worden voldaan. Activiteiten waarvan geen rekening en verantwoording heeft plaatsgevonden, blijven buiten beschouwing bij de vaststelling van de subsidie.
4. Het bestuur stelt de krachtens artikel 6 van de subsidieregeling verleende subsidies vast, rekening houdende met de verdeling als bedoeld in artikel 2.
5. Het bestuur stelt de subsidievaststelling als bedoeld in lid 1 in beginsel binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag vast, maar in ieder geval niet eerder dan nadat in vervolg op de beschikking de subsidievaststelling door dan wel namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het sectorplan PO heeft plaatsgevonden.
6. In het geval de Minister de subsidie lager vaststelt dan is verleend in de beschikking, is het bestuur bevoegd bij de vaststelling een beroep te doen op de opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 6 lid 9. Verlaagde vaststelling van de subsidie door de Minister zal bij toepassing van die voorwaarde leiden tot evenredige verlaging van de subsidie van het bestuur.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0035399
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl