BWBR0050941
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 3.1.4
Besluit bemanning zeeschepen
1. Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop die niet op grond van artikel 3.1.3door Onze Minister kan worden vernieuwd, wordt op verzoek vernieuwd indien de houder voorafgaand aan de aanvraag:
a. gedurende ten minste 3 maanden aaneengesloten diensttijd heeft opgedaan voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie boven de sterkte voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 5, eerste zinsnede, van de STCW-code;
b. gedurende ten minste 3 maanden aaneengesloten diensttijd heeft opgedaan voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante maar lagere functie dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken en in de 30 maanden direct voor het verstrijken van het vaarbevoegdheidsbewijs ten minste 6 maanden diensttijd is opgedaan als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 5, tweede zinsnede, van de STCW-code;
c. met goed gevolg een test als bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid, heeft afgerond; of
d. in het bezit is van een geldig kennisbewijs voor de betreffende functie, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid.
2. Onze Minister geeft op verzoek een tijdelijk vaarbevoegdheidsbewijs af ten behoeve van het opdoen van de diensttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
a. gedurende ten minste 3 maanden aaneengesloten diensttijd heeft opgedaan voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie boven de sterkte voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 5, eerste zinsnede, van de STCW-code;
b. gedurende ten minste 3 maanden aaneengesloten diensttijd heeft opgedaan voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante maar lagere functie dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken en in de 30 maanden direct voor het verstrijken van het vaarbevoegdheidsbewijs ten minste 6 maanden diensttijd is opgedaan als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 5, tweede zinsnede, van de STCW-code;
c. met goed gevolg een test als bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid, heeft afgerond; of
d. in het bezit is van een geldig kennisbewijs voor de betreffende functie, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid.
2. Onze Minister geeft op verzoek een tijdelijk vaarbevoegdheidsbewijs af ten behoeve van het opdoen van de diensttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.