BWBR0050941
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 4.2.2
Besluit bemanning zeeschepen
1. Een certificaat maritieme arbeid vervalt, indien:
a. een deel van het zeeschip wordt verbouwd waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, of in de inrichting of de uitrusting waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, ingrijpende wijzigingen worden aangebracht;
b. het zeeschip een buitenlands zeeschip wordt;
c. het tijdvak waarvoor het certificaat geldt, is verstreken;
d. het tijdens de geldigheidsduur van het certificaat verplicht gestelde onderzoek niet of niet tijdig heeft plaatsgevonden, tenzij het gaat om een bij ministeriële regeling omschreven geval;
e. het zeeschip van naam verandert of een ander letterteken of nummer krijgt, of
f. het zeeschip niet langer wordt beheerd door de scheepsbeheerder vermeld op het certificaat maritieme arbeid.
2. Onze Minister kan een certificaat intrekken, indien blijkt dat:
a. de bouw, de inrichting of de uitrusting van het zeeschip waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van het certificaat;
b. het zeeschip of de scheepsbeheerder niet langer voldoet aan de voor het desbetreffende zeeschip afgegeven verklaring naleving maritieme arbeid en de vereiste corrigerende maatregelen niet zijn getroffen.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een certificaat maritieme arbeid in bij die regeling te bepalen gevallen ook vervalt, indien het zeeschip aan zijn oorspronkelijke bestemming wordt onttrokken.
4. De scheepsbeheerder zendt een vervallen of ingetrokken certificaat, niet zijnde een geautomatiseerd bestand, zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.
a. een deel van het zeeschip wordt verbouwd waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, of in de inrichting of de uitrusting waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, ingrijpende wijzigingen worden aangebracht;
b. het zeeschip een buitenlands zeeschip wordt;
c. het tijdvak waarvoor het certificaat geldt, is verstreken;
d. het tijdens de geldigheidsduur van het certificaat verplicht gestelde onderzoek niet of niet tijdig heeft plaatsgevonden, tenzij het gaat om een bij ministeriële regeling omschreven geval;
e. het zeeschip van naam verandert of een ander letterteken of nummer krijgt, of
f. het zeeschip niet langer wordt beheerd door de scheepsbeheerder vermeld op het certificaat maritieme arbeid.
2. Onze Minister kan een certificaat intrekken, indien blijkt dat:
a. de bouw, de inrichting of de uitrusting van het zeeschip waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van het certificaat;
b. het zeeschip of de scheepsbeheerder niet langer voldoet aan de voor het desbetreffende zeeschip afgegeven verklaring naleving maritieme arbeid en de vereiste corrigerende maatregelen niet zijn getroffen.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een certificaat maritieme arbeid in bij die regeling te bepalen gevallen ook vervalt, indien het zeeschip aan zijn oorspronkelijke bestemming wordt onttrokken.
4. De scheepsbeheerder zendt een vervallen of ingetrokken certificaat, niet zijnde een geautomatiseerd bestand, zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.