BWBR0050941
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 3.5.6
Besluit bemanning zeeschepen
1. Een zeevarende die is aangesteld als scheepsbeveiligingsfunctionaris is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs scheepsbeveiligingsfunctionaris dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/5, eerste lid, van bijlage I, bij richtlijn (EU) 2022/993.
2. Andere zeevarenden dan zeevarenden als bedoeld in het eerste lid die zijn belast met taken op het gebied van beveiliging zoals aangegeven in het scheepsbeveiligingsplan, zijn in het bezit van een bekwaamheidsbewijs uitvoering beveiligingstaken dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/6, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
3. Elke andere zeevarende dan een zeevarende als bedoeld in het eerste en tweede lid is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs bewustwording scheepsbeveiliging dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/6, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
4. Iedere zeevarende volgt, alvorens zijn taak aan boord te beginnen, een familiarisatietraining in scheepsbeveiliging of krijgt voldoende informatie en instructie om:
a. een beveiligingsincident te kunnen rapporteren;
b. de procedures bij een beveiligingsdreiging te kunnen volgen; en
c. deel te kunnen nemen aan beveiligingsgerelateerde nood- en eventualiteitenprocedures.
5. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op zeevarenden in het bezit van het bekwaamheidsbewijs scheepsbeveiligingsfunctionaris.
6. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op zeevarenden van zeeschepen waarvoor op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Schepenbesluit 2004geen internationaal scheepsbeveiligingscertificaat benodigd is.
7. Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op vissers.
2. Andere zeevarenden dan zeevarenden als bedoeld in het eerste lid die zijn belast met taken op het gebied van beveiliging zoals aangegeven in het scheepsbeveiligingsplan, zijn in het bezit van een bekwaamheidsbewijs uitvoering beveiligingstaken dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/6, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
3. Elke andere zeevarende dan een zeevarende als bedoeld in het eerste en tweede lid is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs bewustwording scheepsbeveiliging dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/6, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
4. Iedere zeevarende volgt, alvorens zijn taak aan boord te beginnen, een familiarisatietraining in scheepsbeveiliging of krijgt voldoende informatie en instructie om:
a. een beveiligingsincident te kunnen rapporteren;
b. de procedures bij een beveiligingsdreiging te kunnen volgen; en
c. deel te kunnen nemen aan beveiligingsgerelateerde nood- en eventualiteitenprocedures.
5. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op zeevarenden in het bezit van het bekwaamheidsbewijs scheepsbeveiligingsfunctionaris.
6. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op zeevarenden van zeeschepen waarvoor op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Schepenbesluit 2004geen internationaal scheepsbeveiligingscertificaat benodigd is.
7. Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op vissers.