BWBR0053130
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 4
Besluit Nederlandse identiteitskaart
1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, maakt de in artikel 15 van de wet bedoelde autoriteit gebruik van de door de aanvrager overgelegde Nederlandse identiteitskaart of het door de aanvrager overlegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens en van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten, waaronder in ieder geval worden verstaan documenten in verband met eerdere aanvragen van Nederlandse identiteitskaarten of reisdocumenten.
2. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager stelt de in artikel 15 van de wet bedoelde autoriteit daarnaar een gericht onderzoek in. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, Nederlandse identiteitskaarten of reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de door de betrokkene in het kader van het aanvraag- en uitgifteproces van identiteitskaarten over te leggen bescheiden en de beoordeling daarvan.
2. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager stelt de in artikel 15 van de wet bedoelde autoriteit daarnaar een gericht onderzoek in. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, Nederlandse identiteitskaarten of reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de door de betrokkene in het kader van het aanvraag- en uitgifteproces van identiteitskaarten over te leggen bescheiden en de beoordeling daarvan.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0053130
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl