BWBR0053130
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 13
Besluit Nederlandse identiteitskaart
1. Een Nederlandse identiteitskaart wordt, naast het in artikel 27, vierde lid, van de wet gestelde, ook terstond definitief aan het verkeer onttrokken door de daartoe op grond van artikel 39 van de wet bevoegde autoriteit die het document onder zich heeft, indien:
a. het daartoe, al dan niet bij de uitreiking van een nieuwe of vervangende Nederlandse identiteitskaart of een nieuw reisdocument, is ingeleverd;
b. het ingevolge artikel 37, eerste lid, van de wet is ingehouden, tenzij nog een beroepstermijn open staat, een beroepsprocedure aanhangig is of het reisdocument anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is;
c. het na uitreiking als onbruikbaar is beschouwd ten gevolge van misdruk of verkeerde personalisatie en dientengevolge is ingehouden of ingeleverd;
d. het als gevonden Nederlandse identiteitskaart is ontvangen, tenzij: 1°. de gezaghebber in de gelegenheid is het terug te geven aan de in de basisadministratie als ingezetene van zijn openbaar lichaam ingeschreven houder die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd; of
2°. Onze Minister van Buitenlandse Zaken of de commandant, bedoeld in artikel 4.5 van het Paspoortbesluit, in de gelegenheid is het terug te geven aan de houder, die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd.
1°. de gezaghebber in de gelegenheid is het terug te geven aan de in de basisadministratie als ingezetene van zijn openbaar lichaam ingeschreven houder die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd; of
2°. Onze Minister van Buitenlandse Zaken of de commandant, bedoeld in artikel 4.5 van het Paspoortbesluit, in de gelegenheid is het terug te geven aan de houder, die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze van onttrekking aan het verkeer.
a. het daartoe, al dan niet bij de uitreiking van een nieuwe of vervangende Nederlandse identiteitskaart of een nieuw reisdocument, is ingeleverd;
b. het ingevolge artikel 37, eerste lid, van de wet is ingehouden, tenzij nog een beroepstermijn open staat, een beroepsprocedure aanhangig is of het reisdocument anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is;
c. het na uitreiking als onbruikbaar is beschouwd ten gevolge van misdruk of verkeerde personalisatie en dientengevolge is ingehouden of ingeleverd;
d. het als gevonden Nederlandse identiteitskaart is ontvangen, tenzij: 1°. de gezaghebber in de gelegenheid is het terug te geven aan de in de basisadministratie als ingezetene van zijn openbaar lichaam ingeschreven houder die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd; of
2°. Onze Minister van Buitenlandse Zaken of de commandant, bedoeld in artikel 4.5 van het Paspoortbesluit, in de gelegenheid is het terug te geven aan de houder, die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd.
1°. de gezaghebber in de gelegenheid is het terug te geven aan de in de basisadministratie als ingezetene van zijn openbaar lichaam ingeschreven houder die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd; of
2°. Onze Minister van Buitenlandse Zaken of de commandant, bedoeld in artikel 4.5 van het Paspoortbesluit, in de gelegenheid is het terug te geven aan de houder, die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze van onttrekking aan het verkeer.
- Citeren als
- Art. 13
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0053130
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl