BWBR0052951
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 27
Wet op de Nederlandse identiteitskaart
1. Bevoegd tot uitreiking van Nederlandse identiteitskaarten zijn de autoriteiten, die ingevolge artikel 15 bevoegd zijn de aanvragen daarvoor in ontvangst te nemen.
2. De uitreiking volgt in het Koninkrijk uiterlijk binnen twee weken, buiten het Koninkrijk uiterlijk binnen vier weken na de verstrekking.
3. Uitreiking van de Nederlandse identiteitskaart vindt niet plaats, indien:
a. de aanvrager van een Nederlandse identiteitskaart niet, ingevolge het bepaalde in artikel 20, eerste lid, alle identiteitskaarten die op zijn naam zijn gesteld inlevert bij de uitreiking;
b. de aanvrager van een vervangende Nederlandse identiteitskaart niet, ingevolge het bepaalde in artikel 20, tweede lid, alle reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld inlevert bij de uitreiking;
c. de tot uitreiking bevoegde autoriteit een mededeling heeft ontvangen tot inhouding als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Paspoortwet;
d. ten aanzien van de aanvrager van de uit te reiken identiteitskaart zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder a, c, d, f of g, blijkt voor te doen.
4. De Nederlandse identiteitskaart die niet binnen drie maanden nadat het voor uitreiking beschikbaar is gesteld, door de aanvrager in ontvangst is genomen, wordt door de daartoe bevoegde autoriteit definitief aan het verkeer onttrokken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de termijnen van of de procedures ten aanzien van de uitreiking van Nederlandse identiteitskaarten.
2. De uitreiking volgt in het Koninkrijk uiterlijk binnen twee weken, buiten het Koninkrijk uiterlijk binnen vier weken na de verstrekking.
3. Uitreiking van de Nederlandse identiteitskaart vindt niet plaats, indien:
a. de aanvrager van een Nederlandse identiteitskaart niet, ingevolge het bepaalde in artikel 20, eerste lid, alle identiteitskaarten die op zijn naam zijn gesteld inlevert bij de uitreiking;
b. de aanvrager van een vervangende Nederlandse identiteitskaart niet, ingevolge het bepaalde in artikel 20, tweede lid, alle reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld inlevert bij de uitreiking;
c. de tot uitreiking bevoegde autoriteit een mededeling heeft ontvangen tot inhouding als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Paspoortwet;
d. ten aanzien van de aanvrager van de uit te reiken identiteitskaart zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder a, c, d, f of g, blijkt voor te doen.
4. De Nederlandse identiteitskaart die niet binnen drie maanden nadat het voor uitreiking beschikbaar is gesteld, door de aanvrager in ontvangst is genomen, wordt door de daartoe bevoegde autoriteit definitief aan het verkeer onttrokken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de termijnen van of de procedures ten aanzien van de uitreiking van Nederlandse identiteitskaarten.
- Citeren als
- Art. 27
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl