BWBR0052951
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 37
Wet op de Nederlandse identiteitskaart
1. Een Nederlandse identiteitskaart wordt ingehouden, indien:
a. het van rechtswege is vervallen ingevolge artikel 30 of 31;
b. het zodanig is beschadigd dat daarin opgenomen beveiligingskenmerken zijn aangetast, gegevens niet meer leesbaar zijn of een deel ervan ontbreekt;
c. in of aan het document wijzigingen zijn aangebracht of aantekeningen zijn gesteld door een onbevoegde;
d. de gezichtsopname van de houder niet langer voldoende gelijkenis vertoont;
e. blijkt dat daarin abusievelijk verkeerde gegevens zijn vermeld dan wel anderszins fouten zijn gemaakt bij de vervaardiging van de identiteitskaart.
2. De houder van een Nederlandse identiteitskaart die van rechtswege is vervallen ingevolge het bepaalde in artikel 30, eerste lid, onder a, c, f of g, wordt hiervan op het moment van de inhouding in kennis gesteld door de tot inhouding van de identiteitskaart bevoegde autoriteit.
3. De daartoe bevoegde autoriteit onttrekt de ingehouden Nederlandse identiteitskaart definitief aan het verkeer, tenzij nog een beroepstermijn openstaat, een beroepsprocedure aanhangig is of de identiteitskaart anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is.
4. Indien de autoriteit die de Nederlandse identiteitskaart heeft ingehouden, niet bevoegd is tot definitieve onttrekking van identiteitskaarten aan het verkeer, zendt hij de ingehouden identiteitskaart onverwijld aan een daartoe wel bevoegde autoriteit. De houder wordt hiervan terstond in kennis gesteld.
5. Indien de van rechtswege vervallen Nederlandse identiteitskaart is ingehouden naar aanleiding van een mededeling van Onze Minister als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Paspoortwet, wordt Onze Minister van de inhouding onverwijld in kennis gesteld.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de procedures ten aanzien van de inhouding van Nederlandse identiteitskaarten.
a. het van rechtswege is vervallen ingevolge artikel 30 of 31;
b. het zodanig is beschadigd dat daarin opgenomen beveiligingskenmerken zijn aangetast, gegevens niet meer leesbaar zijn of een deel ervan ontbreekt;
c. in of aan het document wijzigingen zijn aangebracht of aantekeningen zijn gesteld door een onbevoegde;
d. de gezichtsopname van de houder niet langer voldoende gelijkenis vertoont;
e. blijkt dat daarin abusievelijk verkeerde gegevens zijn vermeld dan wel anderszins fouten zijn gemaakt bij de vervaardiging van de identiteitskaart.
2. De houder van een Nederlandse identiteitskaart die van rechtswege is vervallen ingevolge het bepaalde in artikel 30, eerste lid, onder a, c, f of g, wordt hiervan op het moment van de inhouding in kennis gesteld door de tot inhouding van de identiteitskaart bevoegde autoriteit.
3. De daartoe bevoegde autoriteit onttrekt de ingehouden Nederlandse identiteitskaart definitief aan het verkeer, tenzij nog een beroepstermijn openstaat, een beroepsprocedure aanhangig is of de identiteitskaart anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is.
4. Indien de autoriteit die de Nederlandse identiteitskaart heeft ingehouden, niet bevoegd is tot definitieve onttrekking van identiteitskaarten aan het verkeer, zendt hij de ingehouden identiteitskaart onverwijld aan een daartoe wel bevoegde autoriteit. De houder wordt hiervan terstond in kennis gesteld.
5. Indien de van rechtswege vervallen Nederlandse identiteitskaart is ingehouden naar aanleiding van een mededeling van Onze Minister als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Paspoortwet, wordt Onze Minister van de inhouding onverwijld in kennis gesteld.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de procedures ten aanzien van de inhouding van Nederlandse identiteitskaarten.
- Citeren als
- Art. 37
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl