BWBR0052951
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 1
Wet op de Nederlandse identiteitskaart
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aanvraag: het verzoek tot verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart;
aanvrager: degene die een aanvraag indient of op wie een dergelijke aanvraag betrekking heeft;
basisregister reisdocumenten: het register, bedoeld in artikel 4c van de Paspoortwet;
burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
definitief aan het verkeer onttrekken: het deugdelijk vernietigen, dan wel het geheel of gedeeltelijk onbruikbaar maken en aan de houder teruggeven van de Nederlandse identiteitskaart;
elektronische dienstverlening: verlening van elektronische diensten aan natuurlijke personen, ondernemingen of rechtspersonen ter uitoefening van een publieke taak, in het algemeen belang of waarbij het burgerservicenummer wordt verwerkt, door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht of een bij of krachtens de Wet digitale overheid aangewezen organisatie, waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog als bedoeld in de Wet digitale overheid is vereist;
houder: degene op wiens naam de Nederlandse identiteitskaart is gesteld en ten behoeve van wie die is uitgereikt;
inhouding: het feitelijk aan de beschikking van de houder onttrekken van een op zijn naam gestelde Nederlandse identiteitskaart;
Nederlandse identiteitskaart: een document als bedoeld in artikel 11;
Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
publiek identificatiemiddel: een van rijkswege uitgegeven en aan een natuurlijk persoon verstrekt elektronisch middel dat persoonsidentificatiegegevens bevat en wordt gebruikt voor de authenticatie van een natuurlijke persoon die toegang wenst tot elektronische dienstverlening;
reisdocument: een document als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Paspoortwet;
uitreiking: het feitelijk ter beschikking van de aanvrager stellen van de op zijn naam gestelde Nederlandse identiteitskaart;
vermissing: ieder geval waarin de houder niet meer de feitelijke beschikking heeft over een op zijn naam gestelde Nederlandse identiteitskaart, anders dan door of ten behoeve van handelingen van een daartoe bevoegde autoriteit;
verstrekking: de beslissing tot uitreiking van een nieuwe Nederlandse identiteitskaart;
vervallen: het ongeldig worden van een Nederlandse identiteitskaart;
vervangende Nederlandse identiteitskaart: een document als bedoeld in artikel 12;
weigering: de afwijzende beslissing op de aanvraag, die in behandeling is genomen.
aanvraag: het verzoek tot verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart;
aanvrager: degene die een aanvraag indient of op wie een dergelijke aanvraag betrekking heeft;
basisregister reisdocumenten: het register, bedoeld in artikel 4c van de Paspoortwet;
burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
definitief aan het verkeer onttrekken: het deugdelijk vernietigen, dan wel het geheel of gedeeltelijk onbruikbaar maken en aan de houder teruggeven van de Nederlandse identiteitskaart;
elektronische dienstverlening: verlening van elektronische diensten aan natuurlijke personen, ondernemingen of rechtspersonen ter uitoefening van een publieke taak, in het algemeen belang of waarbij het burgerservicenummer wordt verwerkt, door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht of een bij of krachtens de Wet digitale overheid aangewezen organisatie, waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog als bedoeld in de Wet digitale overheid is vereist;
houder: degene op wiens naam de Nederlandse identiteitskaart is gesteld en ten behoeve van wie die is uitgereikt;
inhouding: het feitelijk aan de beschikking van de houder onttrekken van een op zijn naam gestelde Nederlandse identiteitskaart;
Nederlandse identiteitskaart: een document als bedoeld in artikel 11;
Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
publiek identificatiemiddel: een van rijkswege uitgegeven en aan een natuurlijk persoon verstrekt elektronisch middel dat persoonsidentificatiegegevens bevat en wordt gebruikt voor de authenticatie van een natuurlijke persoon die toegang wenst tot elektronische dienstverlening;
reisdocument: een document als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Paspoortwet;
uitreiking: het feitelijk ter beschikking van de aanvrager stellen van de op zijn naam gestelde Nederlandse identiteitskaart;
vermissing: ieder geval waarin de houder niet meer de feitelijke beschikking heeft over een op zijn naam gestelde Nederlandse identiteitskaart, anders dan door of ten behoeve van handelingen van een daartoe bevoegde autoriteit;
verstrekking: de beslissing tot uitreiking van een nieuwe Nederlandse identiteitskaart;
vervallen: het ongeldig worden van een Nederlandse identiteitskaart;
vervangende Nederlandse identiteitskaart: een document als bedoeld in artikel 12;
weigering: de afwijzende beslissing op de aanvraag, die in behandeling is genomen.
- Citeren als
- Art. 1
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl